|
||||||||
|
Als je jezelf in de Vlaamse markt zet onder de naam “Warmoes”, dan hoef je alvast aan niemand meer uit te leggen dat je in het folk-segment te situeren bent. Da’s dan al afgevinkt. En wie in Vlaanderen “Folk” zegt, denkt er haast onvermijdelijk “Gooik”, en “Boombal” bij. Vinkje twee. Dat je debuutplaat als vanzelf bij Trad Records ondergebracht wordt, is eigenlijk een binnenkopper, althans sinds een paar jaar. En zo kan het dus, dat een debuutplaat al meteen met drie vinkjes aan de startlijn verschijnt, maar daarmee is lang niet alles gezegd: uiteindelijk draait het om de muziek en die moest toch eerst wel beluisterd worden. Dat heb ik de voorbije weken ettelijke keren gedaan, zodat ik, tegen de verwachte verschijningsdatum van de plaat, voldoende voorbereid was en meteen kon proberen iets zinnigs te schrijven over de voornamelijk instrumentale fok van dit jonge vijftal. Die gasten bedienen zich van wat je kunt omschrijven als klassieke folkinstrumenten en het eerste wat me opviel was dat deze vijf vermoedelijk producten zijn van het toch wel indrukwekkende muziekonderwijs, dat we hier hebben. Milan Robberechts (piano & bouzouki) lijkt mij de leader of the pack te zijn, al krijg je in de hoesnota’s mee dat alle nummers groepswerk zijn. Marieke D’hose levert het accordeonwerk, broer (?) Laris is bassist. Percussie is in handen van Laurens Maris en sax en fluiten zijn in handen van Arno Molenschot. Op de plaat vinden we 9 melodieën, het ene al wat traditioneler van opbouw dan het andere, maar wel steevast met “dansbaarheid” als kwaliteitsnorm en zelfs als de ritmes niet altijd even voordehandliggend zijn, kun je je toch moeiteloos een hoop dansend volk voorstellen, al gunnen de muzikanten zichzelf en elkaar ook meer dan geregeld de kans om te demonstreren hoe goed ze kunnen spelen. “Klutskweit” mag op dat punt exemplarisch zijn, net als “Nachtvorst” dat erop volgt. “Orlando”-zonder twijfel onze favoriet van de plaat- hoorden we zowaar al een paar keer op de radio voorbijkomen en “Thee Deugd” is het rustpunt dat de titel belooft, met de piano in de fijne hoofdrol. De combinatie, of beter, de afwisseling van stijlen -jazz, pop en funk komen om beurten naar de voorgrond, al hangt er bijna de hele tijd een folk-waas over de melodieën, zoals in “Fiets-jigs”. ‘Kune Kune” schijnt een verwijzing te naar een Nieuw-Zeelands ras van varkentjes die ls huisdier gebruikt worden en van “Galanthus” weten we zeker dat het de Latijnse naam is voor het sneeuwklokje, wat ons dan weer naar het voorjaar brengt. Afsluiter “Radiator Jig” legt de plaat redelijk rustig neer, met alweer een opeenvolging van schitter-momenten voor elk bandlid en zodoende kun je onomwonden zeggen dat dit debuut een knap visitekaartje is van een groep die bulkt van het talent en waarvan we gegarandeerd nog veel zullen horen. Zoiets kunnen we hier alleen maar met plezier verwelkomen. Bij deze dus ! (Dani Heyvaert)
|
|||||||