|
||||||||
|
Het is best wel een beetje verwonderlijk, dat we deze gitarist en n’gonispeler niet beter kennen, hier bij ons. Nochtans heeft de nu 77-jarige Sissoko wel wat referenties: hij speelde bij het Orchestra A de Bamako, bij het Orchestre National de Bamako en, niet te vergeten, de Super Bitton de Ségou, zowat het prototype van wat we hier kennen als de supergroep van de Malinese muziek. Daarvoor werd hij al in 1970 bekroond met de Ebony Guitar Prize en hij werd dan ook al snel opgemerkt door groten als Carlos Santana en Herbie Hancock en zelfs BB. King nam hem ooit mee als opener op een van zijn tournées. Als je Mama hoort spelen -deze “nieuwe” plaat is er een bewijs van, hoor je zowat alles wat je bekend is over de Mandingcultuur. jazz en blues worden vakkundig opgesmukt met traditionele ritmes van de Paul, Songhaï en Bambara, allemaal dingen die ons aangeleerd werden door andere grote Afrikaanse muzikanten en waarvoor we weleens het adjectief “afro-cubaans” bovenhalen. Deze plaat is niet helemaal nieuw, want ze werd eigenlijk al tien jaar geleden opgenomen met de hulp van fotografe Françoise Huguier, die al decennia lang als beschermvrouw van Mama optreedt. Haar naam doet wereldwijd wel wat deuren opengaan en het was ook door haar dat hij beetje bij beetje voet aan de grond kreeg in Frankrijk, dat je zowat als zijn tweede thuisland kunt beschouwen. Dat het voor zwarte medemensen lang niet altijd een pretje is om aan de slag te gaan op Europese bodem, is voor Mama de directe aanleiding voor openingstrack “Commissariat”. Het eerste dat je daar gevraagd wordt, is dat je bewijst dat je daar mag zijn. Aan U of aan mij, beiden blank, wordt die vraag nooit gesteld, maar Afrikanen, krijgen er keer op keer mee te maken. Voor Mama de gelegenheid om een heerlijk ironisch nummer te maken, waarin hij u en mij de vraag laat beantwoorden waarom hij moet bewijzen dat hij er mag zijn. Hij beschouwt zichzelf als een troyse Afrikaan en het is evident dat zijn aanwezigheid, waar dan ook, n iet eens tot vraagstelling mag leiden. Veel meditatiever gaat het eraan toe in “Nkana” en “Douga”, waarin de eenheid van mannen en vrouwen bezongen wordt, net als het feit dat we allemaal uit dezelfde materie gemaakt zijn, al blijkt de een wel wat moediger dan de ander. Mama grijpt bij momenten terug naar oer-traditionele songs, die van hem dan een grondige remake krijgen, zoals bv in “Silami Djama” of “”Massane Cisse”. Al even traditineel is de grote waardering voor de vrouw in het algemeen en de moeder in het bijzonder, zoals “Mari” of “Sembelou” aangeven. Geweldige plaat van een man, die zonder omwegen mag bijgezet worden in het Pantheon van Grote frikaanse Muzianten, maar daarmee mogen we wel nog even wachten, want de man meeft nog. Ansoluut te ontdekken stuff ! (Dani Heyvaert)
|
|||||||