MARKUS RILL
STEVE MEDNICK
ROBERT LIGHTHOUSE
JOE PITTS
DOWNCHILD
JOHN CAMPBELLJOHN
ALEX GOMEZ
BILL PRICE
JOSE DE CASTRO
CROWSONG

MARKUS RILL


The Hobo Companion (2004) - Hobo Dream (2004) - The Price Of Sin (2006) - Live (2007) - The Things That Count (2008)
Website - Myspace - Contact
Label: Blue Rose
VIDEO 1 VIDEO 2 VIDEO 3 VIDEO 4

Door de loop der jaren heeft het Duitse Blue Rose Records als bezorger van Americana een uitstekende reputatie opgebouwd. Het label focust zich nagenoeg volledig op Amerikaanse artiesten. En met de uiterst getalenteerde Markus Rill heeft dit label een landgenoot op hun catalogus binnengehaald waar ook artiesten als Kris Kristofferson, Steve Earle, Buddy Miller, Dwight Yoakam en John Hiatt onder contract staan. Rill is nu al goed tien jaar bezig, tijd om deze Duitse cowboy in de spotlights te plaatsen in Rootstime, meteen ook de eerste blikvanger in dit nieuwe jaar, en wat voor één! Zijn nieuwe album "The Things That Count" is alweer zijn achtste en dit sinds zijn debuut "Gunslinger's Tales" uit 1997. In diverse competities werd Markus Rill al erkend voor zijn songwriting zoals: de ISC International Songwriting Competition met 15.000 deelnemers en sterren als Tom Waits, Loretta Lynn en Amy Ray van de Indigo Girls in de jury, de internationale Unisong contest, de Singer-Songwriter Awards and de American Songwriter Magazine competitie. Rill begon zijn muziek carrière in het miden van de 90-er jaren in Austin, Texas, terwijl hij op dat moment Amerikaanse literatuur studeerde aan de Universiteit van Texas. Hij tourt inmiddels extensief in Europa en Amerika als headliner en deelt de podia met artiesten als Chris Knight, Hal Ketchum, The Drive-By Truckers, Elliott Murphy, Steve Wynn en vele anderen. Daarnaast nam hij ook songs op samen met Duane Jarvis (Lucinda Williams, Dwight Yoakam) en Steve Conn (Sonny Landreth, Bonnie Raitt, Mark Knopfler). Onze troubadour leerde dus de kneepjes van het vak in het singer-songwritermekka Austin, waar hij opgroeide. Na het reeds vernoemde debuut, de opvolgers: "The Devil And The Open Road" uit 1999 en "Nowhere Begins" uit 2001 nam hij zijn vierde CD "Hobo Dream" (2004) in Nashville op. Voor die klus liet hij zijn vaste begeleidingsband The Gunslingers thuis. Topproducer Duane Jarvis had namelijk bassist Rick Plant (Buddy Miller), drummer Billy Block (Jim Lauderdale) en keyboard ace / accordeonist Steve Conn opgetrommeld. Het resultaat laat zich raden: een formidabele Americana-plaat, lekker schor gezongen en fraai begeleide authentieke, akoestische countryfolk in de traditie van Townes van Zandt, Steve Earle of Chris Knight. De instrumentatie (slidegitaar, mandoline, accordeon, Wurlitzer) is uiteraard prima verzorgd, net als Rill’s songmateriaal. De drie in woonplaats Wurzburg opgenomen en zelf geproduceerde nummers ademen dezelfde sfeer. Vanaf de opener "Heartbreak Town" tot aan de afsluiter, weet Rill de aandacht vrijwel constant vast te houden met een reeks aan uitschieters, zoals de titeltrack, en de door Jarvis aangejaagde rootsrockertjes als "Heartbreak Town" en "Not Yet Shipwrecked", met in dit laatste nummer het prettige accordeon van Steve Conn. "Far Away From Home (Yet Home)" met harmony vocal van Karen Poston is op het einde van deze bijzonder geslaagde plaat, soulvolle Americana op en top. Ook in datzelfde jaar, 2004, verscheen de CD "The Hobo Companion", een CD die enkel verkrijgbaar is tijdens zijn optredens of via zijn eigen webstek. Rill heeft zelf deze CD gecompileerd als aanvulling op zijn succesvolle "Hobo Dream", met dertien tracks, waaronder knappe covers van songs van Townes Van Zandt ("Waiting Around To Die"), Gillian Welch & David Rawlings ("One More Dollar"), Robert Earl Keen ("So I Can Take My Rest") en Johnny Cash ("Folsom Prison Blues"), naast enkele hoogstaande live-opnames als "A Girl Called Jo", "Hobo Dream", "Nowhere Begins", "Run, Run, Run" en "Where Do We Go From Here?". In dit laatste nummer en de Van Zandt-Earle-medley "If I Needed You / Ft. Worth Blues" horen we Rachel Harrington die eind vorig jaar hier in de Lage Landen nog op tour was. "The Price Of Sin" werd in mei 2006 uitgebracht en ontving spectaculaire reviews en was terug te vinden op menig eindejaars lijst van journalisten en radio DJ’s overal in Europa. Markus Rill produceerde het album zelf samen met Nashville's Tone Chaperone George Bradfute en nam het op met zeer bekende muzikanten uit de Americana scene: Fats Kaplin (Tom Russell, Dead Reckoners-) op pedal steel, mandoline, accordeon, banjo en viool, Dave Jacques (John Prine, Patty Griffin, Todd Snider) op staande bas, Dave Coleman (The Coalmen) en drummer Bryan Owings (Buddy Miller, Shelby Lynne). Met twaalf akoestisch intieme eigen songs, voornamelijk ballades, weet hij onze aandacht te trekken op deze fantastische plaat, een plaat die diep geworteld is in de Amerikaanse rootsmuziek. Allemaal schitterend hoe hij zoals in de openingstrack "Singin’ In The Cemetery" over een geliefde die jaren geleden is overleden, in "Wash Away The Stain", het pijnlijke gevoel van berouw na de zonde, en het afsluitende "Not Ready Yet", over een zoon die bang is zijn vader te verliezen, dit allemaal perfect weet te verklanken. Het zeldzame gevoel van lust en schuld na het verleiden van de vriendin van je beste vriend vinden we terug in "The Price You Pay For Sin", meteen het grootste prijsnummer op deze plaat. Zeer beklijvend! Zoals "The Hobo Companion" uit 2004 verscheen ook vorig jaar zijn "Live" - plaat (2007) die enkel verkrijgbaar is tijdens zijn optredens of via zijn eigen webstek, dit allemaal aan een zeer aantrekkelijk prijsje. En bij het beluisteren van dit album, kon ik dadelijk vaststellen dat het een waar genoegen moet zijn om deze heren live aan het werk te horen. Met de begeleiding van Robert Hasleder (mandolin, dobro, weissenborn) en Andreas Obieglo (piano, accordeon, gitaar, vocals) weet hij zich door vijftien songs uit zijn recente werk te nestelen. "Live" opgenomen in de Lab in Stuttgart en in de Licca Lounge in Landsberg wisselt oud werk uit "Hobo Dream" af met nieuw uit "The Price Of Sin". Het zijn natuurlijk Rill's sterke nummers die beklijven. Er is veel waardering voor de fans, die met deze uitgave verwend worden.

THE THINGS THAT COUNT

Met "The Things That Count" maken we wederom kennis met Markus Rill, de man met de schuurpapierstem, die het vermogen heeft op overtuigende wijze songs te pennen, en die al meer dan tien jaar betere albums maakt dan de concurrentie. Voor de ongeduldige fans: het is business as usual. Dus: op naar de platenwinkel! Image van Rill wordt wel eens beweerd dat hij een "artist’s artist" of "Europe's premier Americana artist" is. Dit omdat een verbazend hoog aantal artiesten fan zijn van ’s mans werk. Als je zijn productiviteit (acht albums sinds 1997) en de kwaliteit ervan in beschouwing neemt, dan is het volstrekt onbegrijpelijk dat Rill intussen nog niet wordt beschouwd als de standaard waar de andere artiesten zich aan mogen meten, of voor uitverkochte zalen zorgen. Het ziet er niet naar uit dat "The Things That Count" daar verandering in zal brengen, want naar goede gewoonte is het nog maar eens een gimmickvrij album dat vakmanschap te over heeft en verplichte kost zou moeten zijn voor aspirant-songschrijvers. Wegens een familie-aangelegenheid was de vertrouwde producer George Bradfute niet van de partij en werd als gevolg deze plaat met een nadrukkelijk aanwezige producer opgezadeld, die luistert naar de naam Richard McLaurin (van Farmer Not So John). U kunt echter weer rustig ademhalen, want het resultaat mag er zijn. De tot nu toe voor mij onbekende McLaurin slaagt erin om een muzikaal kader te creëren, waarbinnen alle ruimte wordt gelaten aan de teksten en zang van Rill. Zijn experimentele aanpak is te horen in twaalf songs die hier meer een elektrische gading meekrijgen in vergelijking met de akoestische voorganger, zijnde het zo geprezen "The Price Of Sin". Het nieuwe "The Things That Count" klinkt gepolijster dan we gewend zijn, maar dat is nergens storend. De typerende akoestische stijl, die op vorige albums van Rill vaak de sound bepaalde, is nu naar de achtergrond verdwenen, maar wordt ruimschoots gecompenseerd door de sfeervolle en gedoseerde muzikale begeleiding, bestaande uit Dave Jacques (bas), Bryan Owings (drums), Joe McMahan (gitaar), Jen Gunderman (piano, Hammond en Wurlitzer) en naast McLaurin die zelf wat bijdragen leverde op gitaar, mandoline, pedal en lap steel, zijn er ook de backing vocals van o.a. Mack Starks, Dave Coleman en Claire Small. Het eerste kwartier van de plaat biedt meteen een staalkaart van zijn kunnen: "Straighter Road" is een gezapig slenterende combinatie van akoestische en elektrische gitaren, met subtiele samenzang en een melodie die zich langzaam ontvouwt, "Unlike You" blinkt uit in een dromerige melancholie, een nummer dat reeds als voorproefje op zijn live plaat te horen was. Evenals het weemoedige nummer "Sarah Stein", een song over deze ballerina die het leven in de States verkoos boven Wenen. Beide songs zijn dus ook niet vergelijkbaar met de akoestische uitvoeringen van de eerder vernoemde live plaat. De andere rustige momenten, de prachtige titeltrack, "I’ll Wait For You" en "Just Like It Never Did Exist", zijn songs die meteen kunnen toegevoegd worden aan het redelijk omvangrijke lijstje breekbare ballads dat de man intussen schreef. Kwalitatief hoogstaand, met consistent sobere, vaak poëtische teksten over de dingen des levens, "The Things That Count" alshetware. Zijn rock-’n-roll coëfficiënt mag dan wel uitkomen op songs als, "Scene Of The Crime", "Faith Is Hard", "Gotta Keep My Hands Off" of "Dimestore Paperback Memory", met in dit laatste nummer het mooie orgelspel van Jen Gunderman (Last Train Home). Maar Rill is een waardevol songschrijver, al is het maar om de fijnproevers eraan te herinneren dat er nog zekerheden zijn in het leven. In de teksten blijkt nog steeds dat Rill een onvervalste romanticus is, maar dat hij ook zeker een criticaster kan zijn. Hij bezingt in "The Things That Count" zijn overpeinzingen over het leven, misschien is deze plaat minder onafhankelijk en ook zeker een stuk gepolijster dan zijn voorgangers, maar kan uiteindelijk wel degelijk beklijven, en dat het gekoesterd zal worden door het trouwe legertje fans dat Rill volgt, lijdt geen twijfel. "The Things That Count" heeft alles wat een singer-songwriter plaat moet hebben. Een CD die ontroert en vertedert en je deelgenoot maakt van het leven van deze geweldige singer-songwriter. Voorwaar een compliment voor Markus Rill.


STEVE MEDNICK
Website - Myspace


Ambling Toward The Unknow (2007)
Bucket of Steam (2006)
Dark Ages Reprise (2006)

We hebben het wel voor sympathieke antihelden zoals Steve Mednick. Mednick is een songwriter uit New Haven, Connecticut, die feitelijk nog niet zolang aan de weg timmert. Mednick is in het dagelijks leven advocaat maar wanneer je diep in zijn hart kijkt, wordt duidelijk dat hij zijn leven liever als fulltime muzikant zou slijten. Getuige zijn derde album "Ambling Toward The Unknow", dat enkele maanden geleden werd uitgebracht, is de kans voor Mednick op een succesvolle carrière dan minstens even groot als een carrière als jurist. Hij beschikt over een prachtige, fluweelzachte stem en zijn poëtische songs zijn zonder uitzondering van superieure kwaliteit. Daarbij heeft hij ook iets John Hiatt-achtigs, maar ook een stel ingetogen pareltjes roepen het werk van wijlen Warren Zevon in herinnering. Hij weet heel veel oprechte emotie in z'n helende stemgeluid te verwerken en daarmee zo'n beetje alle aandacht naar zich toe te trekken. Mednick is zo’n songwriter die zonder echt op te vallen de mooiste dingen maakt. "Dark Ages Reprise" (2006) bijvoorbeeld, zijn eerste release, een LP die nog altijd fris en sterk klinkt. Maar ook "Bucket of Steam" (2006), zijn tweede CD staat bij ons nog steeds in de boeken als één van de allermooiste Americanaplaten van de voorbije jaren. "Bucket of Steam" is een een plaat zonder toeters en bellen die uitblinkt in zijn subtiliteit. De songs hebben een relaxte sfeer en zijn ijzersterk. De sound is aangekleed met viool of een accordeon. Maar de basis is toch de stem van Mednick, zijn gitaar, zijn piano en een bescheiden ritmesectie. "Bucket of Steam" sluit eerder aan bij het werk van grote namen als het reeds vermelde duo John Hiatt/Warren Zevon zoals in "Second Heart" en "Roxbury Interlude" dan bij dat van Bob Dylan, in het verleden zo ongeveer het ideale referentiepunt volgens menig een recensent. En zoals het hoort in de folkwereld kon ook een anti-Bush song, "Sidestepping (in the Dark)" niet ontbreken op deze CD. Nu is er zijn nieuwe album "Ambling Toward The Unknow", en het is weer een bijzonder sfeerrijk, ongedwongen vervolg geworden. Op deze derde plaat in een tijdspanne van slechts 14 maanden staan dertien mooie, ingetogen Americana, roots en folk-liedjes, waarin de voornaamste kracht schuilt in de wat dromerige vocalen van Mednick. Ook de muzikale begeleiding is weer eens ijzersterk met o.a. Eddie Seville, Karl Allweier, Tony Casagrande, Chris DeFrancesco, Billy Kotsaftis, Bob Loveday, Andre Roman en Sallylu Sianni. Onmiskenbaar vanaf de eerste tonen op deze plaat horen we Mednick in optima forma. De liedjes zijn ijzersterk, melancholiek en vooral sentimenteel. De arrangementen zijn akoestisch en zijn teksten over de gewone mensen, het alledaagse leven en zijn politieke overtuigingen zorgen ervoor dat u van het ene pure genietmoment in het andere glijdt. En het is ook weer zo'n plaat die steeds beter lijkt te worden bij elke draaibeurt. Steve Mednick is gewoon een singer/songwriter die folkmuziek mooi maakt, beschaafd en gearrangeerd doet klinken. Daardoor hoor je pas na een aantal keren luisteren hoe goed hij eigenlijk is. Mednick schrijft teksten die gaan over dagelijkse zaken, maar hij weet er toch een universele draai aan te geven terwijl de liedjes tegelijkertijd licht blijven, en je regelmatig moet glimlachen, maar ook aangrijpende liedjes zoals "Wherever Paths Lead" en "Words". De meest uitschietende songs waarin hij uitblinkt in zijn storytelling zijn voornamelijk "Prelude to The Fall / Jacksonsville" en "A Lost Child", volgens mij de sterkste songs die hij ooit schreef. Nu kijk ik al uit naar zijn nieuwe album "Sunset At the Norht Pole" dat later dit jaar zal verschijnen, nieuwe songs waaraan hij nu samen met producer Eddie Seville (Steel Rodeo, Frank Carillo & The Bandoleros) naarstig zit te werken. Voorlopig zijn we zeer tevreden met: "Ambling Toward The Unknow", "Bucket of Steam", "Dark Ages Reprise", typische albums, die je voorzichtig voortkabbelend bij elke beluistering wat meer inpalmen. Waar ze het eerst eigenlijk maar heel gewoontjes lijken, nodigt het vervolgens uit tot keer op keer opnieuw beluisteren en worden het zelfs bijzonder graag geziene gasten in de late uurtjes. Als elke debutant met zo’n verdomd sterk materiaal zou uitpakken, het zou er ons leven als recensent absoluut niet gemakkelijker op maken. Laten we er niet omheen draaien: Moge vijftigplusser Steve Mednick nog een gouden toekomst tegemoet gaan!


 

ROBERT LIGHTHOUSE

Website

Label: Right on Thythm
VIDEO - VIDEO

 

 

 

DRIVE - THRU LOVE

Robert Palinic, bij de bluesfans beter bekend als Robert Lighthouse is oorspronkelijk van Zweedse afkomst. Hij woont nu in Washington DC, en kreeg de kans van Wayne Kahn om op zijn "Right On Rhythm" label de cd "Drive -Thru Love" af te leveren. Deze talentvolle zanger gitarist en mondharmonicaspeler met een grote voorliefde voor het werk van Isaiah Ross, beter bekend als Dr. Ross. Robert is het best live, daarom zijn deze en zijn nieuwste cd "Deep Down In The Mud" ook live cd's. De kwaliteit van de opnames zijn echter uitstekend, met Roberts' stem, die lichtjes overstuurde, ouderwets klinkende mondharmonica en zijn gitaarspel mooi op de voorgrond. Eveneens bevatten beide cd's een aantal akoestische en een aantal zwaardere elektrische songs, covers van zijn grote voorbeelden en wat eigen songs. Met deze cd uit 1998 bleek dat een succesvolle formule, en dus werd die op "Deep Down In The Mud" herhaald. (zie verder). Robert zou echter Robert niet zijn, als hij ons niet verraste met eigenzinnige bewerkingen, zo is er Jimi Hendix "Voodoo Child", hier gebracht als Delta blues song en Robert Johnson's "Crossroads" krijgt een licht funky modern jasje met de volledige band en wat slidegitaar om van te watertanden. Zo goed, dat iedere song op deze cd een voltreffer is. De voorliefde voor Dr. Ross levert ons de uitstekende "Going To The River" en "Goin' Back South" op, beide van die typische boogies, waar de slide, harmonica en stem van Lighthouse zo voor geknipt zijn. Een buitenbeentje is het hemels mooi gezongen "She's The One I love" een eigen song met akoestische fingerpickin' slide. Echte singer-songwriter blues stuff. Ook de bewerking van Elmore James "Talk To Me Baby" is heel apart, die typische slide riff die het nummer tot een klassieker maakte is nergens te bespeuren. Willie Dixon's "Shake For Me" krijgt de Dr. Ross treatment met zijn pikante tekst en mondharmonica. Zoals gezegd zijn de laatste vier songs "Electrified" en dan krijgen we een gans andere Robert Lighthouse te horen. Na "Crossroads" dat ik hierboven al aanhaalde, komt "Machine" een eigen song die al wat de Hendrix richting inslaat en "Lost en Found" gaat er dan helemaal voor, dit is pure Hendrix. De afsluiter "Riding Into The Sun" doet er nog een schepje bovenop, en is de enige studiosong. Naar mijn mening is dit echter de zwakste song op deze cd, het is met zijn ”fusion” gerichte sound net iets te ver verwijderd van de rest van het materiaal op deze overigens uitstekende "Drive - Thru Love". Robert Lighthouse, die bovendien in de lente naar België komt, moet je zien als je de kans krijgt, want hij is een zeer veelzijdig talent.


DEEP DOWN IN THE MUD

Robert Lighthouse voelt mee met de onfortuinlijke inwoners van New Orleans, vandaar de titel van zijn nieuwste cd "Deep Down In the Mud", tevens één van de twee eigen composities op deze schijf. De tweede heet "Stuck In The Mud". Zo weet je meteen wat de mensen van New Orleans bezighoudt momenteel. Toen wij deze zomer NOLA inwoner Spencer Bohren interviewden was "Mud" en de "Long Black Line", de vuile lijn op de huizen die het water achterliet toen het wegtrok, ook het onderwerp van het gesprek. De hoesfoto met een verwoest huis boven op een wrak van een wagen drukt je nog eens extra met je neus op de feiten. De cd is een mix van live opnames, sommige akoestisch, opgenomen in Chief Ikes Mambo Room en een ander gedeelte met band (drummer Mike Sedgely en bassist Tom Kirk) in de Zoo Bar. De akoestische songs en die met groep op één cd zorgen dat het geheel wat meer diversiteit krijgt. Die is er anders ook al voldoende door de keuze van het covermateriaal. Net als op de voorganger "Drive-Thru Love", zijn er dus drie constanten: liveopnames, covers van (dezelfde) artiesten die hem beinvloeden, en wat eigen werk. Zo krijgen we Robert Johnson, R.L.Burnside, maar evenzeer Elmore James, Magic Sam en Jimi Hendrix, songs te horen of nog verrassender: George Clinton. Onnodig nog te vermelden dat afwisseling hier troef is. Het begint heel traditioneel met "Last Fair Deal Goin' Down" van Robert Johnson, met al de authenticiteit die je kan verlangen. De eerste eigen compositie dan "Stuck in The Mud" met een meesterlijke "warm" klinkende mondharmonica van Robert (hierin is hij echt heel sterk) gevolg door "Preachin The Blues", die sobere Delta blues van Robert Johnson. De titelsong, het zelf gepende "Deep Down In The Mud" is een bijtende politieke aanklacht die geschoeid is op een als Phil Ochs of Woody Guthrie gelijkende folkie stijl. Burnside mag tegenwoordig ook nergens ontbreken: het minder bekende "Long Haired Dony" deze keer en geen zoveelste "Going down South". De lekker swingende boogie "Turkey Leg Woman" van Dr. Ross, the Harmonica Boss, opent de "groepsset", en weer laat Robert horen dat hij uitstekend overweg kan met de mondharmonica. Ook in Muddy Waters "Champagne & Reefer" speelt die smoelschuiver een grote rol. Het volle groepsgeluid komt er dan met "Red Hot Mama", een moderne bluesversie van dit oude Elmore James nummer. Twee nummers verder dan een tweede "Red Hot Mama" maar Monthy Pyton zou zeggen "Something completely different", Funk blues met hoofdletter, George Clinton tekende hiervoor, en de P- funk is duidelijk aanwezig, met zijn stem die net als in de Elmore James song met dezelfde titel erg Hendrix achtig klinkt en gitaarfragmenten die ook erg die richting uitgaan is de toon aangegeven voor de finale. Het voorlaatste nummer, de Willie Dixon compositie "Meet Me In The Bottom" is ook erg modern van aanpak, met een gitaar die het midden houdt tussen Hendrix en Hounddog Taylor’s slide sound. De afsluiter "Spanish Castle Magic" is dus de logische opvolger in deze muzikale reis. Robert's stem is hier het evenbeeld van die van Jimi en zijn gitaar evenzeer. Van de Delta naar de Electric Ladyland Studios in 60 minuten! Zo een einde had je bij het begin van deze cd nooit verwacht, van diversiteit gesproken.
(RON)


JOE PITTS

Website - myspace

 

Zij die me een beetje kennen weten het ondertussen: "I'm a sucker for some good slide guitar". Dus heb ik met de cd's van deze man wat mijn hartje maar kan wensen. Joe Pitts is een gitarist die, hoe ongelofelijk het ook is als je hem bezig hoort, hier nog steeds tamelijk onbekend is. Dit is echter volledig onterecht, want als er gesproken mag worden van gitaristen die de muzikale erfenis van Duane Allman kunnen verderzetten, zijn er slechts twee die in de voetstappen van Skydog mogen treden, namelijk Derek trucks en deze man :Joe Pitts. Wat hij doet bevalt me zo, dat ik een "Blikvanger" aan zijn werk wil wijden. De twee vroegere cd's die hij met zijn band "Liquid Groove Mojo" uitgebracht heeft en zijn laatste, een eigen cd van dit jaar: "Just A Matter Of Time".

LIQUID GROOVE MOJO
CRADLE TO THE GRAVE

Beginnen we met zijn cd van twee jaar geleden, met de band "Liquid Groove Mojo" getiteld "Cradle to the Grave" (2005). Reeds vanaf de eerste tonen van "Long Walk" waarmee de cd begint, krijg je een geluid wat je meeneemt naar de Allman Brothers in hun beginperiode; maar tegelijkertijd zijn er ook de invloeden van de hedendaagse jambands als Gov't Mule, met intense slidesolo's van Joe. Als 't nog wat meer Southern mag zijn is "High Price" zeker voor jou, Skynyrd, Allman's, Marshal Tucker, elementen van al deze bands komen voorbijgewaaid. Als dit zo verder gaat zal dit genieten worden. Het merendeel van de songs werden door Joe Pitts zelf geschreven, met hulp van Darrell Davis de tweede gitarist. De ritme sectie, bestaande uit All Hagood en Brian Blankenship, staat ervoor bekend één van de beste combinaties van het moment te zijn. Joe beschikt daarbij ook nog over een prima stem vol soul. In "Storm Warning" en "Back To Memphis" zorgt dit weer voor een sound die perfect combineert wat Allman Brothers en Gov't Mule zo groot maakten. Het nummer "Time is Running Out" wat sommigen zullen kennen van Kinsey Report, krijgt hier een mooie bewerking met hemels mooie slidepassages. "If Heartaches Were Nickels" blijkt geschreven te zijn door niemand minder dan Warren Haynes van Gov't Mule himself, dus wat je mag verwachten weet je zo wel. Meteen een van mijn favoriete songs op deze schijf, die geen dieptes kent. Afsluiter "Aces High, Dueces Low" is funky, met naar het einde beide gitaristen in topvorm. Spijt dat 't gedaan is.

LIQUID GROOVE MOJO
ACOUSTICALLY CHALLENGED LIVE & UNPLUGGED

Een jaartje later zijn we ondertussen en een concert in "The Big Chill" in Hot Springs, dat helemaal akoestisch zal plaats hebben, wordt vakkundig ingeblikt en gemixt door Rhonda Pitts. Natuurlijk zijn er een paar songs van "Cradle To The Grave" die hier hernomen worden, maar in hun unplugged vorm zijn het natuurlijk volledig andere songs. Heel funky wordt er geopend met "Franklin's Tower, een nummer dat wat de geest van "In Memory of Elizabeth Reed" met zich meedraagt, zei het in unplugged stijl. "Sunshine" dat we al kenden van "Cradle..." is ook in zijn sobere uitvoering een hele knappe song, al mis ik natuurlijk die meestelijke slide in zijn volle geweld, niettemin straffe versie. Hendrix's "Little Wing" eens unplugged te horen is ook al origineel op zich. "Mojo Working" in een basic rock 'n roll jasje al even zeer. Een van de mooiste songs, zoniet dé mooiste is "Hello Goodbye", Joe's dobro bezorgt me kippevel en zijn stem heeft wat van Gregg Allman's bluesy timbre. B.B King's "Thrill is Gone" en Van Morrisson's "Into The Mystic" krijgen een uitstekende bewerking. De songs die we kenden van "Cradle To The Grave", vooral "Long Walk" hebben niets van hun kracht moeten inboeten in de unplugged versies. Als het concert eindigt met "Same Thing", de blues standaard van Willie Dixon; hebben we alweer genoten van een uitstekend cd'tje van Joe Pitts en Liquid Grove Mojo. Driemaal is scheepsrecht, dus op naar de volgende.

JOE PITTS BAND
JUST A MATTER OF TIME

Van quartet naar power trio met The Joe Pitts Band. Zeg dat wel, power vinden we zeker in het openingnummer "Blue Light Rain". Zoals ik reeds schreef, Joe combineert perfect het geluid van Duane Allman en Warren Haynes, en in deze song is dat perfect hoorbaar. De prachtige soulsong "Nickle And A Nail" krijgt hier ook zomaar een bluesy southern rock jasje aangepast, eens te meer een voltreffer. De volgende song heeft Hendrix - allures: "Lonesome Boy from Yesterday", heet het nummer en het ademt the sfeer van "The Burning of The Midnight Lamp" of "The Wind Cries Mary". De titelsong "Just A Matter Of Time" is er net als "Ice Cream Cakes", ééntje die zo uit de pen van Warren Haynes kon komen, maar beide zijn eigen werk. "Zambified" is een jazzy song, weer eens in de beste Allman Brothers / Derek Trucks traditie, met tempowisselingen, prachtige slide fragmenten, en ik kan me voorstellen: live hét moment voor een prima jammoment met improvisatie. Reggae ritmes vermengd met jamband toestanden in "Shoulda Seen It Coming". Ik blijf natuurlijk een bluesfan en daarom is het genieten geblazen met de cover van John Mayall's "Rolling With The Blues" door Joe voorzien van prachtig gitaarwerk in Albert King traditie. "Sealed Inside Good Intensions" en "Sublime Angel" laten duidelijk nog eens horen dat Joe Pitts met zijn band zijn plaats mag gaan opeisen in het groepje van de jambands als Govt Mule en Widespread Panic. De superfunky instrumentale afsluiter "Funked Up" zet nog een laatste maal de spotlights op het fenominale gitaartalent dat Joe Pitts is. Maar... een pracht van een (lange) hidden track "Somone Loan Me A Dime", de langzame blues bekend van Bozz Scaggs' debuut doet er nog een flinke schep boven op. Fans van Allman Brothers, Gov't Mule, Derek Trucks, en ik ken er zo wel enkele:..... Kopen! Nu!
(RON)


Website

Distr. : Codaex
VIDEO 1 VIDEO 2 VIDEO 3

 

Live at the Palais Royalle (2007) * Come On In (2004) * Good Times Guaranteed (1994)
Lucky 13 (1997) * So Far: A Collection of Our Best (1977) * Bootleg (1971)


 

 

 

 

 

 

De uit Toronto afkomstige Downchild is oorspronkelijk gesticht in het Toronto's Grossman's Tavern door Donnie "Mr Downchild" Walsh en zijn broer Richard "The Hock" Walsh. Sinds hun ontstaan in 1969 hebben zij verschillende bandwissels gekend en heeft hun oorspronkelijk repertoire plaats moeten ruimen voor heel wat andere muziekstijlen. Voor mij was het album "Come On In" uit 2004 de eerste kennismaking met dit zeskoppig collectief en al gauw bleek duidelijk dat dit zou uitmonden in een fascinerende ontdekkingsreis. Want voor hun 35 jaar bestaan te vieren konden ze op deze cd, toen de eerste release sinds zeven jaar, rekenen op tal van vrienden dewelke ze gedurende al die jaren hebben leren kennen. Zo krijgen we hier gastoptredens van 'American blues harmonica pioneer James Cotton' in "Sad Sad Day", 'the Fabulous Thunderbirds' keyboard ace Gene Taylor' in "Jump Right Up", gitarist Jeff Healey in "Tonight I Want to Dance with You", 'Powder Blues Band founder Tom Lavin' verzorgt de tweede gitaar solo in "There's a Blues band There", een nummer dat trouwens ook garant staat voor veel harmonicawerk. Powerhouse drummer Pentti Glan doet zijn bijdrage voortreffelijk in "Now You're Hooked" en de instrumentale afsluiter "Cruisin'". Met de sound die we horen in de opener en de titeltrack heeft u meteen de smaak te pakken, het zijn werkelijk aanstekelijke bluesrocknummers en doen dadelijk denken aan Kim Wilson. Covers zijn hier volledig uit de boze, allemaal eigen geschreven nummers van Donnie Walsh, op één na, nl. het mooi gebrachte "How Long" geschreven door Chuck Jackson, waarin Walsh en ja nog een andere gast David Gogo stevig uit de hoek komen. Anno 2007 heeft Downchild met hun powersound in hun bijna veertigjarig bestaan een grote aanhang opgebouwd. Blues en rock is het fundament maar diversiteit is troef. Daarmee onderscheiden deze muzikanten zich van vele andere bands. Bandspil is dus nog steeds gitarist en harmonicaspeler Donnie Walsh. Naast hem bestaat de band uit zanger Chuck Jackson, bassist Gary Kendall, pianist Michael Fonfara, saxophonist Pat Carey, trompettist Peter Jeffrey en drummer Michael Fitzpatrick. Dit jaar verscheen ook het door Donnie Walsh geproduceerde album "Live At the Palais Royale, Toronto, Canada" (2007) en hiermee slaat Downchild echter keihard terug. Ze maken nog altijd muziek die kan worden omschreven als een energieke en meedogenloze mix van vooral blues en rock ’n roll. Een mix waarin ook dit keer weer plaats is voor invloeden uit de swamprock, soul en jump. Elf songs worden met passie gespeeld en met emotie gezongen met als uitschieter, de lome up-tempo openingstrack "It's Been So Long" en met het schitterende "It's a Matter of Time", met het mooie slide werk van Walsh zijn deThe Fabulous Thunderbirds nooit ver weg. Naast negen geschreven nummers van Walsh zijn er ook twee nummers van Chuck Jackson, waaronder het mooi gebrachte "Mr. Confused", waarin hij samen met Walsh's "Wednesday Night Blues", vocaal het best uit de hoek komt. Walsh schittert echter het meest met zijn gedreven gitaarsolo's in het meer gesproken "I've Been A Fool", ook het enige nummer waarin hij de vocals voor zijn rekening neemt. Samen gaan ze in het afsluitende "Soaring" een duel aan op de bluesharp en gitaar, hetgeen zijn invloed heeft op de rest van de band. Het resultaat is een cd die zich met gemak kan meten met de beste cd’s die Downchild tot dusver maakte. Vanuit een puristisch standpunt bekeken is dit natuurlijk een echt bluesalbum, een ware 'blues-based rock and roll sound'. Want Downchild trakteert je op op deze liveplaat met een appetijtelijk stoofpotje energieke bluessongs, sudderend in een geurig kruidenboeket van sublieme rock & roll, afgewerkt met een pittig smakend jumprocksausje. Door de distributie van Codaex kunnen we nu ook in de betere cd-shops de vroegere albums "Good Times Guaranteed" (1994), "Lucky 13" (1997), "So Far: A Collection of Our Best" (1977) en hun eerste LP, "Bootleg" (1971) terugvinden, dit allemaal op cd natuurlijk, en dit zal de fans van Downchild zeker plezieren. Dat eerste album "Bootleg" dat nu gereleased is was toen ook al een zestallige bezetting met naast de gebroeders Walsh, Dave Woodward (tenor), Ron Jacobs (baritone), Jim Milne (bas) en Cash Wall (drums). Downchild is en blijft een band die sterke en geloofwaardige songs brengen. Indrukwekkende stuff, die we je alleen maar van harte kunnen aanbevelen!

DISCOGRAPHY:
Bootleg (1971) Special Records/BMG
Straight Up (1973) GRT
Dancing (1974) GRT
Ready to Go (1975) GRT
So Far: A Collection of Our Best (1977) Posterity
We Deliver (1980) Attic
Road Fever (1980) Attic
Blood Run Hot (1981) Attic
But I'm on the Guest List (1982) Attic
It's Been So Long (1987) Stony Plain
Straight Up/We Deliver (1988 CD "twin-pack" reissue) Attic
Gone Fishing (1989) Stony Plain
Dancing/Road Fever (1991 CD "twin-pack" reissue) Attic
Good Times Guaranteed (1994) Downchild Music/ Festival Distribution (1995) Blue Wave Records (U.S.A.)
Lucky 13 (1997) Downchild Music/Festival Distribution (1998) Blue Wave Records (U.S.A.)
It's Been So Long / Ready To Go (1997 "twin pack" re-issue) Stony Plain SPCD 1242
A Case of the Blues - The Best of Downchild (1998) Attic ACD1516
A Matter of Time - The Downchild Collection (2000) Blue Wave Records (U.S.A.) BW141
Come On In (2004) Downchild Music
Live at the Palais Royalle (2007)


 


JOHN CAMPBELLJOHN
OFFICIAL BOOTLEG - Live From Blues Garage Hannover (2007)
WEIGHT OF THE WORLD (2006)
THE WORLD IS CRAZY - Live In Germany (2003)
NERVES OF STEEL (2000)

Website - myspace

Label: Pepper Cake / VIDEO

 

 



 

 

 

 

 

 

John Campbelljohn is geboren 1955 in "Sydney Cape Breton Nova Scotia" Canada. Hij groeide op in een muzikale mix van "keuken party’s" en "fiddling jamborees" waar Cape Breton zo berucht om is. Maar dat was niet wat John Campbelljohn boeide. Tegen de locale Celtic-muziek-cultuur in luisterde, en inspireerde hij zich door BB.King, Jimi Hendrix, The Rolling Stones, ea. Als veertienjarige was hij al heel ernstig bezig bluesgitaar te spelen, op zijn vaders gitaar. "Statesboro Blues" van Duane Allman had hem zo diep geraakt dat hij, tot op vandaag, met heel zijn hart het bespelen van slide gitaar van A tot Z bestudeert. John Campbelljohn laat zich inspireren door de bron en bestudeerd de muziek van Mississippi Fred McDowell, Elmore James, Son House, Robert Johnson, ea. Later ontdekte hij Sonny Landreth’s "Behind The Slide" techniek en voegde die aan het bluesgenre toe. Tijdens solo akoestische blues sets haalt hij het onderste uit de kan met zijn rijke soulvolle stem en smukt het geheel op met krachtige technieken op gitaar, slide gitaar, dobro of lapsteel. John Campbelljohn is front, side, show, Canadese bluesman, trotse Cape Bretoner en gelukkig is er nog geen teken dat hij zich bekeert heeft tot tapdanser.

Als slide gitaar liefhebber ben ik de laatste weken echt verwend, want wat dwarrelt er hier nu weer neer op mijn bureau? Maar liefst de laatste twee cd's van slide gitaar grootheid John Campbelljohn. Een studioplaat en een zeldzame (zelfs op zijn site nog niet vermelde nieuwe live cd opgenomen tijdens zijn laatste Duitse tournee). John is afkomstig van Nova Scottia, een stukje ruw Canada vol meren en bossen. Met "Offical Bootleg" heeft John zijn zevende cd uitgebracht vol heerlijke slide sounds, die van bluesrock over tradionele blues, naar meer countrygetinte lapsteelsolo's gaan. Als invloeden hoor ik vooral het aparte stijltje van Sonny Landreth terugkomen bij John, en daar ben ik ontzettend blij om, want Sonny Landreth zal samen met Derek Trucks, de ongekroonde koning van de slide blijven. Maar Campbelljohn komt dicht bij Sonny in de buurt, en ik die dacht dat Sonny Landreth zo een apart stijltje had dat niemand ooit gelijkaardig zou klinken. Verder is ook wat invloed van Duane Allman en Johnny Winter regelmatig terug te horen. Op "Weight of the World" van vorig jaar, horen we John afwisselend allerlei stijlen hanteren, zo is de titelsong een snelle instrumental vol tempowisselingen, die vooral het technische kunnen benadrukt, de virtuosteit die John in de vingers heeft. ”Kathaline” is pure “bayou slide” à la Sonny Landreth, prachtig gewoon, en in “How Does It Feel” combineert hij diezelfde slidestijl zelfs met Clapton-esque reggaeritmes en dito vocals. “Mississippi Queen” van Mountain krijgt een zalige akoestische bewerking met dobro zodat het zijn titel meer eer aandoet, een de sfeer van de delta met zich meedraagt. ”Little Wing” van Hendrix, nog zo’n prachtversie, waar countrygetinte pedal - steel en prachtige ”bottleneck” slidefragmenten elkaar afwisselen. Dochterlief Cassie schreef de geslaagde Tulsa-stijl shuffle “That’s just fine” in de beste J.J Cale traditie, met een mooie dobro in de hoofdrol. Diezelfde dobro, samen met een pedal - steel zorgen in de afsluiter ”May Be I’m just Old Fashioned” voor een lekker western swing sfeertje. Daarmee heeft deze “master of slide” bewezen een veelzijdigheid te bezitten die deze cd van begin tot eind boeiend en vol afwisseling houdt. Het zal dus niet lang duren eer hij weer rondjes gaat draaien in mijn cd speler.

De subtiliteit van de ”Weight Of The World” wordt ingeruild voor de sfeervolle, maar wat ruigere live geluiden van de John Campbelljohn Band in het nieuwe "Official Bootleg - Live From Blues Garage Hannover" dat zopas verscheen bij het Pepper Cake label (ZYX Music BV). In de eerste nummers verschuift het gitaargeluid wat meer naar de Johnny Winter sound. De western Swing is echter ook live weer van de partij, zoals in “Cherokee Boogie”, één van de paar covers op deze live opname. Hij laat me daarna ook nog wat genieten van het mooie geluid van de slide “à la Sonny” in ”Slow Down” en “Sydney Steel”. De traditional “You Gotta Move”, bekend geworden in de Stones versie, passeert wat later ook de revue, en niet onopgemerkt, dankzij een slidesolo die je haren ten berge doen rijzen plus een a capella einde door dit trio. Ambiance troef in “Don’t Let The Drinkin’ Do The Thinkin’” een lange song met veel plaats weer voor dat “Bayou-slide” geluid, waarvan ik dacht dat het uniek was, maar Landreth heeft zijn gelijke gevonden. Na “Phone Booth”, de Robert Cray cover en de live versie van ”Kathaline” dat ook op bovenstaande cd te horen was, volgen wat Chuck Berry ritmes in het zelf geschreven: “Johnny Rock n’ Roll”. Het extra lange nummer met de nog langere titel “Tanz des Siebenshläfers/I Want to Get Up” is een soort Status Quo ritme als basis, met daar over het fantastische gitaarwerk van John. Volgt nog het dicht bij Dire Straits aanleunende “The World is Crazy”, doorweven met stukjes Creedence “teasers”. Het bisnummer is het wat simpele “Gute nacht Liebe Freunde”, maar ja, dat krijgen we er ook gratis bij, sympathiek wel van een man uit Nova Scottia om toch proberen wat in de gasttaal te zingen. Al lukt het hem niet zo bijster, ik zou dan ook willen afsluiter met zijn eigen woorden. “Tsjuus, gut’ noabent, tonke sheen und oof widderzein!”
(RON)


ALEX GOMEZ




ALWAYS NEVER

Eigenzinnig, vernieuwend, gedurfd en origineel zijn wat woorden die me bij het beluisteren van deze slide gitarist uit Texas te binnen schieten. Wat deze "one man slide band" ten gehore brengt is rauw, recht uit het hart, pure emotie rechtstreeks tot blues hersmolten. Tien korte songs, meestal gebouwd rond één oer-riff die, al lijkt het een "loop", meestal herhaald wordt in lichte variaties. Muziek die refereert naar Hound Dog Taylor, Elmore James, George Thorogood en Z.Z.Top, maar dan is zijn ruigste, tot op het bot ontklede vorm. Daar bovenop een klagende, huilende stem vol met uitschieters, gedrenkt in vitriool. Beeld je Houndog Taylor in en the Black Keys, meng ze door elkaar, gooi de bas en drums weg en wat je overhoudt is Mister Gomez. Dit is dé absolute stoner boogieblues, dit is echte gitaar anarchie, deze man schopt Thorogood onder zijn kont, neen ik zeg het niet, dit zijn woorden uit de Amerikaanse pers over deze cd 3 jaar geleden. Vanaf de intro van "Macon Bacon" een song opgehangen aan de Bo Diddley kapstok, weet je: dit gaat een ruig ritje worden. "New Orleans" is Z.Z top zonder de versierselen, enkel de kern behouden, daar gaat het Alex om. In "Women Trouble" neemt Alex het riffje van "Gimme Back My Wig" van Hound Dog Taylor en voegt er zijn klagende, overslaande stem aan toe en klaar is kees. Met teksten die niets aan de verbeelding overlaten: "Pussy's always on my mind" zingt hij, terwijl de slide jankt en de basdrum voor de heartbeat zorgt. Vrouwen (Southern Belle), sex (Macon Bacon) en drugs (Cocaine Girl), dat zijn de thema's. Favoriete nummer is het stampende "Southern Belle", nogmaals een boogie in de stijl van die baardmannen uit Texas, Alex zingt zelfs wat op Billy Gibbons wijze, en het nummer heeft de sfeer van "La Grange". Als je tegen een stootje kan, is deze "Always never" uit 2004, een van de meest originele en zelfs revolutionaire boogieplaten ooit gemaakt sinds "Boogie Chillen" van John Lee Hooker. Als je fan bent van Keb 'Mo of Eric Bibb zal dit waarschijnlijk niks voor jou zijn; hou je echter van Beefheart, Bob Log III en Black Keys, zeker eens luisteren.


METALLIC BLUE ELECTRIC

Was "Always Never" al behoorlijk heavy en apart naar standaard bluesnormen, wel deze opvolger uit 2005 gaat weer een stapje verder, meer vervorming, meer gedurfde, wat slordige zangpartijen, nog meer basic, heavy slide. Opnieuw tien korte songs met eveneens korte titels. Maar een ding is nog intenser, het vuur dat in deze songs zit, "Cock - A -Doodle", de openingssong is zoals de meeste van de songs op deze cd opgebouwd rond een simpele, sterke basisriff, bluesy, maar gebracht met punkallures. "Sticky Icky" bijvoorbeeld is schatplichtig aan "It’s all Over Now" geschreven door Bobby Womack, maar in feite bekend als Stones hit. Dit is de slide-blues punkversie van dat nummer. Ook "Crystal" heeft zo ’n slide - gitaarriff die zich onder je hersenpan nestelt, en "Satan’s Daughter" is de meest duivelse slide die ik ooit mocht aanhoren, zeker naar het einde van de song. In "Can’t Go On" spuwt Alex zijn teksten meer dan ze te zingen, terwijl hij de gitaar tot bloedens toe foltert. Nu begrijp ik waarom de cd’s van Gomez slechts 10 korte songs bevatten, want meer zou gevaren voor de gezondheid inhouden, hartritmestoornissen, euforie, maar vooral beschadigingen van het beenderstelsel, want de slide van Alex is messcherp en gaat tot op het bot. Dus je bent gewaarschuwd, slecht mondjesmaat genieten, hier heb je vlug te veel van, maar wel …genieten!


WARM SENSATIONS

De derde eigen produktie, de dit jaar verschenen: "Warm Sensations", en geloof het of niet, Alex is nog een stap verder durven gaan, waar dit moet eindigen, weet ik echt niet. Dit is ook de meest misleidende titel die ik ooit op een cd zag, na de "Best of Mili Vanilli" dan toch. Dit grenst aan muzikale waanzin. Het is nog blues, sommige ritmes althans, maar daarmee houdt het op Het spijt me dat ik het moet zeggen, dit is een beetje "over the top", hier gaat hij net iets té ver, want was de eerste prima, de tweede gedurfd, deze is enkel voor wie van slide houdt die klinkt als een cirkelzaag, de "zangpartijen" zijn bijna enkel nog half gesproken teksten met lange huilende uithalen. Na de eerste twee was deze evolutie te verwachten, maar ik vrees dat weinig mensen dit nog zullen aankunnen, laat staan echt goed vinden Misschien gaat Alex met zijn opvolger, nu toch best terug in de andere richting, een stapje terug in het "madness" gehalte. Ik waarschuwde je daarnet al, maar hier is het menens, ik heb het zelf aan de lijve ondervonden, meer dan drie songs van deze cd na mekaar op hoog volume kan ernstige gevolgen hebben, ik zeg alleen niet welke.
(RON)


BILL PRICE


THE BRAINS BEHIND PA
OLD HAT

 

In 2002 verscheen dit debuut van de band van Bill Price, The Brains Behind Pa, een mini cd met 7 songs in een sober, kunstig hoesje met als titel "Old Hat". Het werd een bijna volledig akoestisch cedeetje, met herschreven versies van hun favoriete traditionals. The Brains Behind Pa, genoemd naar een passage uit een Dylan song, bestaan dus uit Bill Price, Gordon Bonham, een gitarist die zijn eigen bluesband heeft, multi - instrumentalist Gary Boyle, die vooral mandoline en accordeon bespeelt en drummer Jeff Chapin, die echter op deze akoestische cd slechts een paar keer nodig is, voornamelijk Bonham en Price nemen hier 't leeuwenaandeel voor hun rekening, met de National Steel, dobro, bajo, mandoline en accordeon als voornaamste instrumenten. Dit geeft als resultaat een erg warm geluid aan hun prachtige bewerkingen van deze traditionals als "Trail Of The Buffalo" en "Ain't No More Cane", songs die al nationaal erfgoed zijn geworden, maar ook oude bluestraditionals als Blind Willie Johnsons "Soul of A Man" wat hier een sublieme uitvoering krijgt en "Oh Babe, It Ain't No Lie" van Elisabeth Cotton zijn juweeltjes. Met deze zeven parels hebben deze "Brains behind Pa" zich van in het begin al als een uiterst sterke alt.country en Americana band aangemeld.

THE BRAINS BEHIND PA
BETTER FOR THE DEAL

Deze groep met één van de origineelste namen ooit gehoord, is in 2000 door singer-songwriter Bill Price en gitarist Gordon Bonham opgericht en even later is ook Garry Bole hun komen vervoegen. Dit trio maakte in 2001 hun debuut "Old Hat", een zeven songs tellende collectie traditionele folk- en bluesliedjes, geschreven door Bob Dylan of zijn voorbeelden, zoals Woody Guthrie. Natuurlijk kon een vervolg met eigen materiaal niet uitblijven. Voor die er kwam werden evenwel met Jeff Chapin en Jeff Stone respectievelijk eerst nog een drummer en een bassist aangetrokken om de groep een meer gevulde sound te bezorgen. Voeg daarbij dat Garry Bole zowat met ieder denkbaar instrument uit de voeten kan en je weet dat je met deze band alle kanten op kan. En met "Better For The Deal" is deze opvolger nu eindelijk een feit. Bill Price schreef ditmaal alle songs zelf. En dan vraag je je af waarom hun debuut vol met covers stond, want een song schrijven is voor hem een gave die hij tot in de puntjes beheerst. Zijn songs combineren goeie teksten met een uiteenlopendheid van stijlen die je met verstomming slaan. De variëteit van de nummers is onbeperkt. Van rootsy popballads ("Silver Spade") en stevige rock ("Ship Of State" en "Mud Room") tot prachtige Americana ("Look Out Below"), alternatieve country ("The Other Side Of The River -Drowning Of Thirst"), blues ("Lookin’ Crooked-Those Drier Side Blues"), en zelfs cajun ("The Point Of Departure"). Je kunt het zo gek niet bedenken of deze kerels kunnen 't aan, en hoe! Bill Price blijkt niet alleen een geweldige songwriter te zijn, maar ook een prima zanger. Zijn stem deed ons bij momenten een beetje denken aan Dan Stuart van Green On Red. Onze frontman heeft dan ook terecht zijn eigen solo debuut uitgebracht in de zomer van 2003, nog voor deze opnames begonnen zijn in 2004. Twee jaren werd aan deze plaat gewerkt, wat ook duidelijk hoorbaar is. Hier is niet over een nacht ijs gegaan. Een prachtplaat van Bill Price en zijn band. Vijftien sterke songs op een rijtje. Ik zou zeggen: Buy this, you can't get anything "Better For The Deal"!

BILL PRICE
BONES & APPLES

Uit 2003 stamt dit solodebuut van Bill Price, in tegenstelling met de rootsy Americana sound van zijn band is dit geluid meer rockend, maar tegelijkertijd is er heel veel aandacht voor de teksten. De opnames gebeurden op 2 sporen analoge tape, enkel echte muzikanten en hun instrumenten, echte muziek, geen pro-tools zegt Bill zelf. Natuurlijk zijn de maten van "Brains" aanwezig, maar ook jazzgitarist Paul Holdman en drummer Jamey Reed. De teksten van de 15 zelfgeschreven songs gaan over het milieu "Hollow Wheel" of spiritualiteit "Within Without" maar ook over individualisme en zelfs een paar simpele romantische songs mogen, het hoeft niet allemaal zwaar op de hand te zijn. Erg mooi is "Bound To Save Us All" en "The Sound Of Many Waters", songs die in echte singer songwriter bijvoorbeeld traditie verhalen vertellen over de wereld die draait rondom "winst tegen elke prijs" (Big Numbers); De titel van de cd verwijst naar de Indiaanse cirkel van het leven, dat eindigt (Bones), maar steeds opnieuw begint (Apples). Martin Luther King was het die zei: "al wist ik dat morgen de wereld verging, dan plantte ik nog mijn appelboom vandaag". Met dit solo album toont Bill Price vooral dat hij een meer dan begenadigd tekstschrijver is, die zijn uiterst rake teksten met de nodige poezie omlijst en daarbij nog voor een originele muzikale verpakking ervan zorgt. Luister maar naar "40/40" of "Miracle Moon". Deze cd doet je uitkijken naar zijn opvolger, want Bill Price is, of het nu met "Brains Behind Pa" is of onder eigen naam, steeds weer een garantie voor gedegen kwaliteit.

BILL PRICE
THE CIRCUS & THE GALLOWS

Die opvolger is er nu, eind 2007, hoewel de opnames gebeurden in maart 2003. Overschotjes van "Bones and Apples"? Toch niet, het waren slechts 3 songs, en door samenloop van omstandigheden zijn de opnamen van die 3 songs er gekomen. Bill had de songs geschreven en naar eigen zeggen smeekten ze om blazers. Ze zochten de blazers bij mekaar en het kon, vrienden met wie ze ooit al opgetreden hadden en de rest van "Brains behind Pa" waren enthousiast om het uit te proberen, en dus werden deze 3 songs apart ingeblikt. De titelsong is een song die in de lijn ligt van wat we hoorden op "Bones & Apples", maar toch weer anders door het gebruik van die blazerssectie, het nummer krijgt hierdoor wel iets Van Morrison achtigs, maar natuurlijk is Bill's stem compleet anders, instrumentaal klopt echter het plaatje volledig. Dan echter "something completely different", om het met Monty Python termen te zeggen "Lookin Crooked" is onverwacht een pure blues, uiterst knap gebracht met mooie piano en sax passages en met wat Hammond en eindelijk kan Gordon Bonham zich eens volledig uitleven als bluesgitarist. "Go Away Nicely" gaat wat verder in de bluesy sfeer en is een wat klagende, droeve song, maar zo mooi, de gitaarsolo van Gordon is hemels. Heb ik spijt dat dit maar een EP'tje is! Dit is wat hij ons moet brengen op een full cd. Bill, huur die blazers nog eens, laat Gordon nog zoveel ruimte en haast je om een pak van deze songs te schrijven, direct beginnen, want lang wachten zal moeilijk worden.
(RON)


JOSE DE CASTRO


Website
Label: JOPILIVES records
VIDEO 1 VIDEO 2 VIDEO 3


José de Castro is een virtuoos fusion gitarist van Madrid, die invloeden van alle genres mengt tot een geheel eigen sound, die invloeden kunnen zowel van heavy metal muziek, als van blues of jazz kant komen, zelfs funk en meer zuiderse ritmes worden in zijn sound verwerkt. "Jopi" zoals men hem noemt is natuurlijk één van die gitaristen met een onvoorstelbare techniek, maar hier stopt het niet op voor hem, hij slaagt er bovendien in, bij dit: "kijk mamma, zonder handen" spel ook nog een ziel toe te voegen, en al is dat niet altijd makkelijk in supersnelle funk en jazzrock achtige instrumentals, in zijn langzamere nummers is dit duidelijk wel het geval. José geeft dan ook veel gitaar clinics en demonstraties voor grote fabrikanten van gitaren, versterkers en effectapparatuur. Hij stuurde ons zijn 3 cd's ter beluistering op die, met tussenposes van 2 jaar, tussen 2002 en 2006 opgenomen werden. Met uitzondering van wat background vocals op een paar songs, zijn het instrumentale opnames. Invloeden van gitaristen als Scott Henderson, Jimi Hendrix, Lee Ritenour en Jeff Beck zijn duidelijk terug te vinden. We zullen de drie releases even voor U doorlichten in volgorde van verschijning.


UN POCO DE LO MIO

Deze cd uit 2002 begint stevig rockend, met funky baslijnen waartussen de gitaar van José zigzaggend en shreddend baantjes trekt in "Entre Los Cledos". Pure heavy metal jazz-rock. "Passion" heeft een Hendrix geinspireerde sound in de intro, maar naarmate het nummer vordert komt meer en meer Satriani om de hoek kijken, om dan toch weer in Hendrix stijl te eindigen. Het rustige "Luz" kun je best omschrijven als "Instrumental Dire Straits with a twist", die twist komt er als Jopi halverwege de rustige Knopler stijl achterwege laat om even loos te gaan. "La Mejor Casa" is het meest rustige nummer, en laat ons een akoestische gitaar horen, die in een Zuid Amerikaans sfeertje rimpels op het kalme water trekt. "Pasos En Los Querdas" herinnert me aan het werk van Eric Johnson en eveneens de opvolger "Entrada En La Noche" met een zuiders ritme, is een nummer in de stijl van diens "Manhattan" en is mijn favoriet op deze release. Dan heftige funk in "Fiesta Funk", hoe kan het anders. Een intro die doet denken aan de Doobie Brothers "Listen To The Music" waarna José zich volledig laat gaan in ware Steve Vai stijl in "Tornado" een nummer dat zijn naam niet gestolen heeft. Categorie 5, katrina waardig! De afsluiter "Mar de Tranquilidad" is zoals de titel laat vermoeden, een langzaam bluesy gitaarnummer, maar langzaam betekent niet rustig voor José, de vonken spatten eraf, in een stijl die het midden houdt tussen Joe Satriani en Jeff Beck. Een indrukwekkend debuut , zeker voor wie gek is op fusion gitaristen als de bekende Satriani, Eric Johnson, Micheal Landau, Steve Vai zal deze minder bekende Jose De Castro een verrassing betekenen, hij moet voor deze heren geen haarbreed onderdoen.

MUSIC GUITAR BOX

Twee jaar verder ondertussen en José, die op zijn debuut onbekende Spaanse muzikanten gebruikte, is ondertussen in de gitaarkringen langzaam naam aan 't maken, zijn medemuzikanten hebben hem zeker al ontdekt want op deze tweede kan hij reeds gebruik maken van de hulp van onder andere superdrummer Simon Philips. De eentalige linernotes zijn geëvolueerd naar tweetalig Spaans/ Engels, evenals de titels. De muziek is duidelijk nog wat virtuoser dan op de vorige, al kan dat natuurlijk ook tot gevolg hebben, dat de techniek wat meer op de eerste plaats komt. De gevoeligere songs ruimen meer plaats voor het "shredden", maar gelukkig bouwt hij enkele pauzes in voor het rustige werk, dat dan meestal een bluesy kant laat zien, zo klinkt hij hier uiterst relaxt en soulvol in "Near You" een nummer dat evengoed van Robben Ford zou kunnen zijn. Apart is wel het repetatieve "Tic Tac Time" waar je als het ware de klok hoort tikken, terwijl de tijd voorbij vliegt via José's scheurende gitaarinterventies. Op "When She Walks" lijkt Jose te improviseren over een pompende blues bassriff, en "Thousand Words" heeft vooral in de intro veel Hendrix invloeden, met ook weer een stevige portie bluesy licks erdoor gemengd. "The Crazy Chicken" is net als ik bij het zien van de titel verwacht had een supersnel nummer op Albert Lee/Danny Gatton wijze, tot het halverwege in een bluesy slidesolo overgaat. De afsluiter "Free Soul" is prachtig, een gitaarinstrumental zoals ik ze graag mag horen, een langzaam bluesy slepende gitaarsolo, met een drummer die accenten mept op de juiste plaatsen, Jeff Beck meets Gary Moore! Zo deze is ook weer voorbij, een cd met duidelijk twee belangrijke componenten, de nummers met de heavy shredding stijl en toch wel een bijna evengroot gedeelte langzame bluesy instumentals, die mij persoonlijk wat meer bekoren, maar dat velen daar net anders over denken, is natuurlijk hun goed recht, één zaak is echter zeker, gitaarfreaks zullen hiervan smullen. Ongelooflijk dat deze man zo weinig bekendheid geniet tot nu toe.


CONVERSATION

De nieuwe opent met "For You" een nerveus ritme vol breaks en tempowisselingen en vooral een technisch nummer, zo ééntje om de beginnende gitaristen de moed te ontnemen om nog verder te klungelen. Pure Jeff Beck dan in de intro van "Train", maar zoals dikwijls evolueert 't nummer halverwege naar een ander geluid en is 't dan meer Satriani en Andy Timmons stijl wat we horen. Op "Lullaby" een nummer dat net als het nummer op het uit de vorige cd "Free Soul" blues en fusion combineert is het voor mij weer genieten. Het dreigende ritme van "Groovemania" drijft vooral op ritmegitaar en lijkt me een ideale soundtrack voor een achtervolgingsscène. Een laid back slide, erg Mark Knopfler geinspireerd, in "M.K".... Okee, plots begrijp ik de titel. "Dynamic" is, anders dan de titel doet vermoeden, eerder rustig, en lijkt me een tribute voor Scott Henderson, want het specifieke eigen geluid van deze fantastische en eveneens ondergewaarde gitarist zit duidelijk in dit nummer verweven. In "Move Your Neck" is 't nogmaals "Shredding" time en we nemen afscheid van deze Spaanse gitaar slinger met de titelnummer "Conversation" weer een van die mooie bluesy instrumentals waarmee bij mij de nekharen overeind komen te staan. Okee, drie van deze vlak na mekaar, je moet gitaarliefhebber zijn om het vol te houden, maar gelukkig ben ik dat, dus ik heb het overleefd, meer zelfs, ik heb met volle teugen genoten
(RON)


 

CROWSONG


SHELTER ETERNAL
WESTERN
DARK COMES LIGHT

Website: www.crowsong.com

 

DARK COMES LIGHT

Crowsong was in de beginne een viertal geschaard rond multi-instrumentalist en meester slide gitarist Randy Clark. Deze baanbrekende gitaarheld word op hun instrumentale debuutplaat "Dark Comes Light" (1999), bijgestaan door goede muzikanten, die het instrumentarium goed beheersen. Bassist Edo Castro, drummer Skooter Fein en percussionist Wade Peterson spelen een begeleidende rol achter deze meesterlijke gitarist, waarvan de sound dadelijk doet denken aan de klassieker "Blow By Blow" van Jeff Beck, echte voer voor gitaar/muziek liefhebbers dus. Randy Clark uit San Francisco trekt alle registers open op deze fantastische, zeer veelzijdige plaat. Hij geeft zijn generatiegenoten flink het nakijken en laat duidelijk weten dat zijn rol nog lang niet is uitgespeeld. Clark vliegt op "Dark Comes Light" alle kanten op maar hij doet dat niet als een kip zonder kop want het album komt uiterst consistent over. Dan weer funkt hij hongerig met ondersteuning van Castro, Fein en Peterson, een andere keer laat hij zich van zijn lyrische kant horen als hij akoestische slide speelt, en zijn werk dicht ligt bij dat van Cooder of Lindley. "Crowsong", "Kumar's Theme" en "Magazines & Cocktails", zijn misschien wel de knapste nummers van deze 13 instrumentals die hij ooit heeft gemaakt, gewoon ijzingwekkend mooie miniatuurtjes. En met de afsluitende titeltrack maakt Clark een verrassende doch passende plechtige finale, en onderstreept hij dat "Dark Comes Light" wel een bloedserieuze plaat is waarop gitaarkunst met ene grote G wordt bedreven.

WESTERN

In 2002 is er de bijzonder sterke opvolger "Western", waarop Clark nu ook bewijst over een knappe stem te beschikken. Ook de line-up van de bezetting is gewijzigd. Nu is Crowsong nog een trio, en treffen we naast Clark, Joshua Zucker (bas) en Vince Littleton (drums) aan. Met hun hulp zijn we nu teruggekeerd naar de meer southwestern roots. Behalve het artwork is de muziek ook zeer kleurrijk geworden zonder drang om in een bepaald genre of trend te eindigen. Clark en de andere muzikanten hebben zich laten leiden door de muze en zich overgegeven aan hun instinct, waar die hen ook leidde. Dit is waar ze zijn geland: in een soulvol, psychedelisch "desert folk-core" universum. Uiteraard staat de warme intense licht gruizige stem van Clark nu centraal in de liedjes die nog voordat je naar de tekst hebt geluisterd al de sfeer van de woestijn ademen. Je waant je op een hobbelige zandweg in "the middle of nowhere" met om je heen bergen en in de verte zie je een water fata morgana verschijnen op het kokende asfalt. De teksten op dit album gaan ook over dingen die zich in een soortgelijk tafereel afspelen. Met zijn gitaar rolt hij telkens weer fraaie woestijnzandtapijten uit, waarover zijn lichtjes aan Roger McGuinn refererende stem dan pakkend verhalen mag. Denk Tim Buckley-meets-Mike Scott-meets-Roger McGuinn-achtige stem meets Neil Young and Crazy Horse, maar dan wel zeer alt-country/blues getint. Net als Young is ook Clark een meester in het neerzetten van een sfeervol, panoramisch geluid. En dat levert een aantal bijzonder gesmaakte hoogtepunten op. Vooral de instrumentals "Fall In The Sea" en "Red Is The Color Of Blood" moet je daar zeker toe rekenen. Van een werkelijk oorstrelende, bedwelmende schoonheid zijn die twee. Je voelt als het ware het hete zand tussen je tenen schuren. Andere uitschieters waar hun country, western, Delta blues, jazz, rock en Indian- invloeden steeds weerkeren zijn naast het prachtig geschreven "Old Rt.13" de nummers: "Badlands", "Two Manhattans" en "Drive". Maar ook het roots-rockende "Separate Ways" of het schitterend slide-werk in het instrumentale "Desert Song" is om te snoepen, en zo kunnen we nog wel even doorgaan.

SHELTER ETERNAL

Op zijn nieuwe cd "Shelter/Eternal" hebben we vier jaar moeten wachten, maar eerlijk gezegd met deze terugkomst mogen we echt blij zijn. Crowsong weet door de jaren heen steeds weer opnieuw te verbasen, hetgeen ze nu ook doen met een dubbel cd. Speelde hij zeven jaar voornamelijk instrumantals - gevolgd door een zeer verdienstelijk "Western" met een zeer sfeervol geluid - daar trakteert hij ons nu in "Shelter" met akoestische en elektrische songs in traditionale rock- en bluegrass-getinte arrangementen gebracht met veel hartstocht. Deze arrangementen zijn subliem, ze werken naar een hoogtepunt in het liedje en telkens is er smaakvol gekozen voor afwisselende geluidseffecten die de sfeer op de juiste manier versterken. "Shelter" is een hele fraaie veelzijdige groeiplaat, bij elke luisterbeurt wortelt hij zich dieper in je ziel. Prijsnummers? Tjonge… "Peace In My Mind", "Shelter", "Close To The Shore", "Seven Crows", en zo kunnen we zoals op de vorige cd nog wel even doorgaan. Crowsong laat ons acht nummers genieten van muzikale hoogstandjes. "Eternal" ligt misschien wel in het verlengde van de band's debuut "Dark Comes Light" uit 1999. Bij de openingstrack "Cattle Call", worden we even op het verkeerde been gezet, want hier horen we dadelijk een surfgitaar en voelen we ons dadelijk op een zonnig strand, maar de andere vier tracks zijn allen doorweven van Clark's klassieke slidespel in zijn gekende Indian en Delta rootsstijl. De energie die "Eternal" uitstraalt, geeft soms prettige klachten bij de ademhaling, maar gelukkig krijgt de luisteraar ook momenten van rust. Toch vind ik hem in de hoogste versnelling het sterkst. Op deze indrukwekkende tracks toont Clark ons zijn energie, vakkennis, veelzijdigheid en zijn onvoorwaardelijk passie voor de klank van de slide gitaar.

"Dark Comes Light", "Western" en "Shelter/Eternal" staan voor Americana, roots rock en swampy blues. Randy Clark heeft een warme stem, en hij zingt zijn liedjes steeds aangenaam relaxed. Tel daar nog eens zijn prachtige gitaarspel bij en dan kunnen we zeggen dat deze cd's kleine meesterwerkjes zijn. Alle nummers op deze cd's kruisen blues en folk met jazz en country, een vleugje Indiase muziek en een forse dosis singer-songwriter. Zo komt vanuit deze mix van invloeden een heel gretig en persoonlijk geluid tot stand. Clark's eigen stuwende spel zorgt voor swingende melodieën, die tegelijk rootsy en meeslepend zijn. Indrukwekkende stuff, die we je alleen maar van harte kunnen aanbevelen!


.