RICHARD RAY FARRELL
CANNED HEAT
CANDYE KANE
SPENCER BOHREN
DAVID MUNYON
ELEANOR McEVOY
DAVID OLNEY
CYNDI BOSTE
NICK MOSS AND THE FLIP TOPS
WALTER TROUT

RICHARD RAY FARRELL

BOHEMIAN LIFE - ACOUSTIC ROOTS - DOWN HOME OLD SCHOOL COUNTY BLUES

Website: www.richardrayfarrell.com
www.myspace.com/wwwmyspacecomrichardrayfarrell

Label : Blue Beet
www.cdbaby.com/cd/rrfarrell / www.cdbaby.com/cd/rrfarrell2 / www.cdbaby.com/cd/farrellguyger

In 2004 verscheen "Bohemian Life", dit was het lang verwachte album van Richard Ray Farrell na zijn "Black Limousine album" (1999) van Farrell en zijn Black Band. Deze man speelt de blues al bijna dertig jaar en dit met de grootste bluesmuzikanten zoals R.L. Burnside, Louisiana Red, Frank Frost ... Farrell heeft veel tijd doorgebracht in Europa, vooral in Duitsland en Spanje, waardoor hij toch zeer bekend is. Voor "Bohemian Life" zorgde hij voor een nieuwe band met Steve Gomes, Robb Stupka, Bill Heid, Benjie Porecki en als gast Jerry Portnoy die op drie van de zestien songs voor de nodige harmonicabegeleiding zorgde. Blue Beet Music was zeer tevreden om na dit zeer bejubelde album, Farrell’s "Acoustic Roots" (2005) uit te brengen, een plaat bestaande uit: een bijna één uur durende set van klassieke ragtime en delta blues, covers van de jaren '20 en '30. De opnames gebeurden live zonder overdubs in de Ground Hog studio in Holland, PA. Deze opnames, mixing en mastering waren in handen van driemaal Grammy Award winnaar Mike Tarsia van Philadelphia, PA. Met zijn album "Acoustic Roots" slaagt hij er moeiteloos in, om met ongecompliceerde akoestische blues uit vervlogen tijden mijn gevoelige snaar te raken. Zichzelf begeleidend op akoestische gitaar, harmonica en soms wat slidewerk is dit genieten. Nagenoeg alle songs zijn covers, enkel het afsluitende "Blues-Flamenco" is van eigen hand. Er gebeurden dus geen overdubs, multitracking en goocheltoestanden bij de opnames. De wijze waarop hij nummers als Blind Lemon Jefferson's "One Dime Blues", Leadbelly's "Ella Speed" of Blind Blake's "Rope Stretchin' Blues" speelt, het is gewoon voortreffelijk gebrachte akoestische blues, eerlijk en recht uit het hart. Zijn slide gitaarspel in "Sassy Mae" doet ons denken aan het betere werk van Son House, maar ook in de traditional "Buck Dancer's Choice" of zijn eigen "Blues-Flamenco" is zijn fingerpicking gewoon geweldig. Farrell brengt een grote verscheidenheid aan songs, maar in zijn Delta-bluesnummers; Bukka White's "Fixin' To Die" en "Shake 'Em On Down", Son House's "Jinx Blues", en de uitstekende versie van Robert Curtis Smith's "Lonely Widower" zijn de vergelijkingen met de originele versies nooit ver weg. Andere covers van o.a. Mississippi John Hurt's "Louis Collins", Smokey Hogg's "Too Many Drivers", Blind Boy Fuller's "Jivin' Woman Blues" en Bo Carter's "Let's Get Drunk Again" & "I Want You To Know" zijn allen gewoonweg schitterende nummers waarin zijn innemend gitaarspel tot de verbeelding spreekt.


"Down Home Old School Country Blues" is het nieuwe album van Farrell samen met harmonica virtuoos Steve Guyger, een bloedserieuze bluesplaat, die net zo makkelijk traditonele blues of country blues voorschotelt, muziek in de beste traditie van Sonny Terry & Brownie McGhee en Rev. Gary Davis. Andere duo's waarmee de vergelijking snel kan gemaakt worden zijn ook wel Virginia’s John Cephas & Phil Wiggins en Boston’s Paul Rishell & Annie Raines. Vanaf de rockende opener, John Lee Williamson’s "Good Mornin’ Little Schoolgirl", tot het afsluitende, de cover van Big Bill Broonzy’s "Diggin’ My Potatoes", waarin we Guyger op zijn mondharmonica op zijn best horen, rockt deze plaat als de pest. Er staan geen zwakke songs op dit album, maar de meest opvallende tracks zijn wel de covers "Rollin & Tumblin", "Sail On" en "Big Road Blues", songs die u duidelijk maken waarvoor de blues wel feitelijk staat. De blues die hier gespeeld wordt klinkt alsof hij gemaakt is in de moerassen van de Mississippi, lekkere oerblues. De nummers zijn dan weer zo gebracht zoals je van twee grootheden kunt verwachten: subtiel en geraffineerd en ze rekken de grenzen van de blues op een flexibele manier iets op, zonder overigens het echte rauwe bluesgevoel te verliezen. "Down Home Old School Country Blues" is gewoon een prima album van Richard Ray Farrell & Steve Guyger, een duo uit Philadelphia, dat wisselend de vocals voor hun rekening neemt in zestien covers, waarvan we John Lee Williamson's "Early in the Morning", Big Joe Williams’ "Baby Please Don’t Go", Tommy Johnson’s "Big Road Blues" en Robert Lockwood’s "That’s Alright" nog graag willen vermelden, naast het absolute hoogtepunt: Robert Lee McCoy’s "Friar’s Point Blues", een song waarin Farrell’s gitaar picking en vocals aangevuld met Guyger’s warme harmonicaspel mij laat denken aan de bluesmuziek uit de jaren 30. Kortweg: Farrell & Guyger hebben met "Down Home Old School Country Blues" een zeer afwisselend album afgeleverd, een cd waar ragtime, deltablues en countryblues en het spelplezier van afdruipt. Voor zowel de akoestische blues als de rootsliefhebber een aanrader en dus alle reden om dit album aan te schaffen. "Down Home Old School Country Blues" is het resultaat van hun muzikale vriendschap en behoort tot het betere werk in zijn deelgenre.


 

CANNED HEAT


INSTRUMENTALS 1967-1996
THE BOOGIE HOUSE TAPES / VOL 1 : 1967-1976 (2000) / VOL 2 : 1969-1999 (2004)

Website: www.cannedheatmusic.com
Label : Ruf Records

Herinnert u zich nog het legendarische Woodstock en de gelijknamige film? De film begon met een introductie op de tonen van "Going Up The Country". Dit was één van de eerste succesnummers van Canned Heat, een groep waarvan de naam verwijst naar een soort alcohol en een bluesnummer van Johnson (1928). De groep bestaat nog steeds, maar het noodlot heeft in al die jaren verschillende malen toegeslagen en enkel Adolfo 'Fito' de la Parra kan er zich nog op beroemen quasi van bij het begin deel te hebben uitgemaakt van Canned Heat. Canned Heat werd beschouwd als een groep die boogie-blues speelde (met psychedelische inslag). De groep werd in 1965 opgericht door Bob 'The Bear' Hite en Alan 'Blind Owl' Wilson. In 1966 vervoegden Henry 'Sunflower' Vestine, Frank Cook en Larry Taylor de rangen. De groep liet zich vervolgens opmerken op het Festival van Monterey en kregen de kans om een eerste album op te nemen, die ze simpelweg "Canned Heat" doopten. Het was een album met remakes van bluesklassiekers. De grote doorbraak volgde met het tweede album "Boogie with Canned Heat" met hun bekende versie van "On the Road Again". Ook deze gigantische hit was eigenlijk een remake, deze keer een nummer van Jim Hoden. Frank Cook werd nog voor de concerttour vervangen door Adolfo "Fito" de la Parra. Tijdens deze tour maakte de groep kennis met de legendarische Britse bluesman John Mayall. Deze blueslegende werkte vervolgens mee aan het dubbele album "Living the Blues". Een nummer van deze plaat groeide uit tot een hooglied van de hippies, "Going Up The Country" (het nummer werd ook gebruikt in de originele versie van "Easy Rider", de cultfilm van Dennis Hopper). Verder nog een schitterend nummer op deze plaat : "Let's Work Together". Woodstock betekende voor de groep ongetwijfeld de tijd van hun grootste triomfen. Hierna staken ze de Atlantische Oceaan over om de Europese podia plat te spelen. In september 1970, na de terugkeer in de VS, overleed Alan Wilson aan een overdosis. In 1981 werd hij door Bob Hite vervoegd, die overleed als gevolg van een hartziekte (gerelateerd aan zijn drugsgebruik). In 1997 verwisselde ook Vestine het tijdelijke voor het eeuwige. Een hartaanval werd hem fataal. Op dit moment bestaat de groep nog altijd uit een verzameling uitstekende muzikanten met vreemde bijnamen (The Baron, Dallas, The Gator) en dito referenties. Toch moeten we erop wijzen dat enkel Fito de la Parra nog met de oorspronkelijke bezetting speelde. Al deze hoger voornoemde hits zijn terug tevinden op hun eerste compilatiealbum uit 2000 : "The Boogie House Tapes" 1967-1976 en op het tweede deel van deze collectors choice met opnames van deze seminale bluesband horen we daarbuiten ook een reeks outtakes, commercials, rehearsel tapes….uit de periode 1969-1999. Uitschieters op dit vervolg zijn wel "Sloppy Drunk", "Death Bed Blues" en "Blind Melon" waarin de perfecte vibrato stem van Wilson het best tot uiting komt. Het album bevat ook de laatste 'roadhouse recording' van de bandleider Bob "The Bear" Hite opgenomen enkele dagen voor zijn tragische dood. Voor dit verzamelwerk zorgden drummer/producer Fito de la Parra en Walter "Dr. Boogie" de Paduwa die op een stereo cassette recorder twee live shows uit de vroege 90's had opgenomen met het prachtige gitaarspel van Henry "Sunflower" Vestine. De 'Boogie-Blues' die Canned Heat brengt heeft de tijd overleefd, sterker nog, ze is geëvolueerd naar steeds rijker wordende muziek. Dit is alweer te horen op de nieuwe verzamelaar "Instrumentals 1967-1996". Vijftien boogie instrumentals, zoals boogie moet klinken van deze legendarische boogie bluesband. Beginnende met de originele 1967 line-up, met Alan Wilson en Bob "The Bear" Hite in het bijna twintig minuten durende "Parthenogenesis" tot de verdere line-ups met o.a. Junior Watson, Robert Lucas en James Thornbury, maar ook special guests John Mayall en John "Juke" Logan komen langs op deze 70 minuten tellende instrumentals. Kortweg: Canned Heat was een van de hardst werkende bands van de late zestiger en zeventiger jaren. Geleidt door de onnavolgbare Bob “The Bear” Hite, een enorme man met een bijpassende persoonlijkheid, ontwikkelden zij zich tot een van de beste witte bluesbands ooit. En nu anno 2006, omringt door de vaste hand van de drummer Adolfo Fito De la Parra weet Canned Heat de Boogie-Blues tot in de 21ste eeuw te leiden.

CANNED HEAT 2006
Upper row, left: Barry Levenson (guitar) - member since Autumn 2005
Upper row, right: Fito de la Parra (drums, vocals)
2nd row, left: Robert Lucas (vocals, guitar, harmonica) - back since Winter 2005
2nd row, right: Greg Kage (bass, vocals)

 

 


CANDYE KANE


DIVA LA GRANDE / WHITE TRASH GIRL / WHOLE LOTTA LOVE
Website : www.candyekane.com
Label : Ruf Records

Voor Rootstime wil "Diva La Grande" Candye Kane haar even voorstellen:
“Ik ben een professionele zangeres en liedjesschrijver. Ik tour 250 dagen per jaar met mijn band. Sinds mijn eerste CD in 1992 heb ik nog zes CD’s opgenomen onder de platenlabels Sire, Antone’s Rounder en RUF records. Met mijn muziek wil ik anderen inspireren om hun dromen waar te maken en henzelf te accepteren zoals zij zijn. De sleutel tot geluk is dat je jezelf accepteert, van jezelf houdt en invulling geeft aan je dromen. Ongeacht je achtergrond of verleden.Kleurrijk verleden Mijn leven kun je lezen als een bluesverhaal. Ik groeide op in een achterbuurt van Los Angeles. Op mijn negende leerde mijn moeder me het zakkenrollen. Op mijn 17e kreeg ik mijn eerste kind en was lid van een gang. Als ongehuwde moeder kon ik mijn droom om muzikant te worden wel vergeten. Een beurs voor het conservatorium zat er niet in. Ik leefde met mijn jonge kind van liefdadigheid en voedselbonnen. Maar dat was nauwelijks genoeg. Ik ging aan het werk in de seksindustrie en kon zo mijn eigen brood verdienen. Ik verscheen op de omslag van zo’n 100 mannenbladen als Hustler, Juggs en Gent. Daarnaast schreef ik voor diverse bladen. Wereld met volle vrouwen Ik herwon mijn zelfvertrouwen. Ik leerde van mezelf te houden en mijn grote lijf te accepteren. Ik gebruikte mijn salaris om mijn muzikale carrière op te bouwen. Ik huurde muzikanten in, schreef liedjes, boekte studiotijd en liet de liefdadigheid achter mij. In 1986 nam ik mijn eerste demo op als country zangeres bij CBS. Toen CBS achter mijn verleden kwam, werd ik eruit gegooid. Ik trouwde met bassist Thomas Yearsley. Kreeg mijn tweede kind en ging studeren. Al schrijvende ontdekte ik de blues. Ik zag dat het een wereld was met volle vrouwen. Ieder met een kleurrijk verleden en opgegroeid in arme wijken. In 1992 kwam mijn eerste CD uit: Home Cookin. Ik zie mezelf als een black drag queen, die gevangen zit in het lichaam van een blanke vrouw. Met mijn zang eer ik de dikke bluesvrouwen uit het verleden, maar wel met mijn beide voeten in het heden.”


 

Candye Kane is vooral een muzikante, een straffe muzikante bovendien. En één die je niet zal vergeten eens je ze aan het werk hebt gezien. (Zij die erbij waren op Aalst Bluest van vorige maand weten waarom). En toch speelt haar niet-muzikale verleden in elke bio een grotere rol dan bij andere artiesten. Omdat, dames en heren, deze rondborstige Californische in een eerder leven als stripteaseuse en nog later als euh... 'actrice' haar brood verdiende. Jobs waar velen op neerkeken, maar die Candye Kane uiteindelijk het zelfvertrouwen gaven om over te stappen naar haar echte roeping: de boogie-woogie, de opzwepende blues waarin feest, opwinding en tempo even belangrijke ingrediënten vormen. Van daaruit is ze gaan zingen en heeft al diverse releases op haar naam staan. Deze voluptueuze dame, met de meest excentrieke en flamboyante persoonlijkheid, maakt geen geheim van haar verleden en laat je live vooral niet afleiden door haar grote boezem. Want de muziek, dat telt, en haar overtuigend pleidooi voor een wereld waarin iedereen gewoon zichzelf kan zijn. Het nog vrij jonge levensverhaal van zangeres Candye kan men reeds te boek stellen. Maar zoals we reeds eerder vermelden, we beperken onze interesses tot de muziek. Zowel “Essegemblues Brussels”, “Brussels Blues” in de A.B. als Marktrock (1999) om er maar drie te noemen hebben in het verleden de verdienste de carrière van deze schitterende zangeres hier in Belgie flink te hebben ondersteund. Haar repertoire is bijzonder omvangrijk en omvat zowel swing uit de jaren ’40 en ’50 als Rhythm & Blues, blues en rockabilly. Het was Clif Antone die deze “dame” uit L.A. ontdekte en haar meteen een contract aanbood. Candye en haar formatie hebben reeds zeven albums op hun actief, waarvan het laatste album “White Trash Girl" het dichtst bij haar huidig repertoire op het podium benadert. En op scène moet je Kane gezien hebben: uitdagend, extravagant maar vooral begiftigd met een stem als klok. Gitaarspel, en dan die krachtige, rauwe, zwoele en verleidelijke vrouwenstem: I'm a white trash girl... Ik zie de hillybilly's al voor me. Op hun tractor midden in een korenveld en dan lekker swingen. "White Trash Girl" is het tweede album voor het Ruf Records label (opvolger van het uitstekende "Whole Lotta Love" uit 2003, waarvan we het duet met Charlie Musselwhite nog zeker niet vergeten zijn), dat meteen swingend begint met de titeltrack en "Estrogen Bomb". Daarna doet ze het eventjes wat rustiger aan, maar het nummer "Big Fat Mama’s Are Back in Style" brengt de pit weer terug. Dit nummer doet mij denken aan de film Chicago en ik krijg de neiging om op m’n bed te springen en met een borstel in m’n hand een show te maken. De liedjes zijn simpel en vrolijk en hebben wel grappige namen zoals "Masturbation Blues" en "What a Day For a Daydream". Meeste van haar songs zijn zelf neergepend of co-written met de hulp van haar opgroeiende zonen. "Estrogen Bomb" gaat over vrouwen die nooit verontschuldigingen maken, "Queen of the Wrecking Ball" vrouwen die steeds opnieuw harten breken en “Big Fat Mamas” over dames met een maatje meer of een song over hun seksualiteit zoals in "Mistress Carmen". Doordat de nummers zo vrolijk zijn en bijna allemaal wel uptempo is de cd snel afgelopen, al zijn er veertien nummers. Hij duurt maar drie kwartier en dat is eigenlijk een beetje kort, maar een feit is dat Candye Kane op haar zevende album met de steun van wat oude vrienden zoals Stuart Sullivan, producer Mark “Kaz” Kazanoff (Marcia Ball, W.C. Clark, Pat Boyack), Preston Hubbard (staande en elektrische bas), Jeff Ross (gitaren) en enkele nieuwe vrienden Damien Llanes (drums) en Riley Osbourn (piano,keyboards) een pracht van een bluesplaat op de markt heeft gebracht waarin elementen van jazz, pop en rock 'n'roll sluipen. Dat zelfde jaar verscheen, "Diva La Grande", een re-release van dit album dat oorspronkelijk in 1997 op de markt kwam bij het Antone's Records Label. Op dit derde album uit haar carrière waren toen al dezelfde ingrediënten terug te vinden als nu bijna 10 jaar later, nl.: jump blues, rockabilly en big-band swing. Naast originals als "You Need a Great Big Woman", "Gifted in the Ways of Love" en "All You Can Eat (And You Can Eat It All Night Long)" vinden we hier geweldige versies van "I Got a Feelin'" tot een Cajun-getinte versie van Lee Hazlewood's "These Boots Are Made for Walkin'". Producer Dave Alvin en Kane's backing band, the Swingin' Armadillos, laten horen dat anno 2006 haar stem nog niets aan kracht en intensiteit in al die jaren heeft ingeboet, maar dat ze nu alleen maar rijper (!) en doorleefder is geworden. Candye Kane doet wat haar hart haar ingeeft en dat klinkt geweldig. Indien ze nog eens naar de lage landen komt, zeker niet te missen!


Discografie
2005 White Trash Girl & Diva La Grande (Ruf Records)
2004 Whole Lotta Love (Ruf Records)
2001 The Toughest Girl Alive (Rounder Records)
1999 Swango (Sire Records)
1997 Diva La Grande (Antone’s Records)
1995 Knockout (Antone’s Records)
1992 Home Cookin (Antone’s Records)

www.rufrecords.de


 

SPENCER BOHREN
THE LONG BLACK LINE – DOWN THE DIRT ROAD BLUES - SOUTHERN CROSS - SOLITAIRE

Website : www.spencerbohren.com
Label : Valve Records
www.cdbaby.com/cd/sbohren6 / www.cdbaby.com/cd/sbohren5 / www.cdbaby.com/cd/sbohren4 / www.cdbaby.com/cd/sbohren3

Singer/songwriter Spencer Bohren, afkomstig uit Wyoming, Verenigde Staten, begon zijn muzikale ervaringen in het kerkkoor toen hij acht jaar oud was. Pas toen hij gitaar begon te spelen werd hij zich bewust van de folk tradities van Amerika. Zelf zegt hij hierover:"Church music is so entwined with traditional music that it was an easy transition for me, but the wealth of American music astonished me". Spencer werd steeds sterker aangetrokken door de blues, waarbij hij geen verschil maakt tussen de stijl van de vroege zwarte muzikanten en de hillbilly blues, omdat je volgens hem niet op de verschillen moet letten maar juist op de overeenkomsten. In 1968 verliet hij zijn geboorteplek en belandde in steden als Denver en Seattle om met gerenommeerde artiesten te spelen. Na zijn omzwervingen belandde hij uiteindelijk in New Orleans alwaar hij muzikanten trof die leefden voor de muziek en met wie hij zich verbonden voelde. Tien jaar lang trad Spencer in New Orleans op in de Absinthe Bar en bij Tipitina's. Hier hield hij elke maandagavond jam sessies, waarbij hij een woonkamer-atmosfeer creëerde voor talloze New Orleanse muzikanten en gasten van buitenaf. Jaarlijks trad hij ook op bij het New Orleans Jazz & Heritage Festival, alwaar hij de aandacht trok van Europese concertpromotors en muziekliefhebbers uit de hele wereld. Dankzij deze aandacht heeft hij intensief kunnen touren in Europa en Japan, waar zijn albums vaak uitgebracht worden op grote labels als Virgin en Sony. Voor zijn laatste twee albums trok hij naar Duitsland, waar hij een graag geziene gast is, naar het onvolprezen Valve records label.

Zijn album "Solitaire" uit 2002 kreeg in alle media zeer goede recensies, en zoals de titel al doet vermoeden, is het een echte solo-cd geworden. Om eerlijk te zijn horen wij hem ook het liefst solo. Bekende en minder bekende country-bluesklassiekers als "Hard Time Killin' Floor" van Skip James en "Dirt Road Blues" van Charlie Patton krijgen op dit album buiten zijn eigen songs mooie ingetogen uitvoeringen mee.

Begin 2004 verscheen "Southern Cross" en ligt wat in het verlengde van zijn vorig album, enkel dat er nu over het hele album een spirituele sfeer hangt. Daar zorgen weer zijn gebruikelijke instumenten voor zoals: lapsteel, clawhammer banjo, akoestische gitaar en voor de acapella stemmen heeft hij de steun van het Nott Brothers Quartet. Spencer heeft door de jaren een eigen stijl ontwikkeld, waar hij vroeger het midden hieldt tussen de relaxte sound van J.J. Cale en het manische slide gitaar-werk van Sonny Landreth, mag u zijn muziek vergelijken met een Kelly Joe Phelps en Harry Manx. Deze elf nummers hebben allemaal het karakter van "Southern American musical traditions" ze kruisen gospel en 'deep blues' met country muziek, een vleugje rhythm 'n' blues en een forse dosis singer-songwriter. Bohren beschikt namelijk over een soepele en emotionele alt, best te horen in de covers van Hank Williams, voorwie hij een grote voorliefde heeft, nl."I'm So Lonesome I Could Cry" en de afsluiter "Lost Highway". Wij noemen als uitschieters het met adembenemende lapsteel intro nummer van Curtis Mayfield's soul/gospel klassieker, "People Get Ready" en zijn zelfgepende "East Kentucky Coaldust" een zeer vredelievend nummer waarin hij een zeer hoog niveau haalt.

 

Het kan niet anders of Spencer Bohren is een grote meneer aan het worden. Het land achter hem, zijn huis en grond in New Orleans, is een verwoeste chaos, maar het oeuvre van dit talent wordt almaar indrukwekkender. "The Long Black Line" pakt de draad van de overtuigende voorgangers "Southern Cross" uit 2004 en "Down The Dirt Road Blues" van vorig jaar op en zet meteen een paar flinke stappen vooruit. "The Long Black Line" gaat voor een substantieel deel over de teloorgang van New Orleans en ook over het geloof van Bohren in de wederopstanding van deze mysterieuze stad aan het zuidelijkste puntje van de Mississippi. Het spreekt voor zich dat Bohren veel inspiratie vond in de verwoesting die Hurricane Katrina in zijn thuisstad aanrichtte. Haat en ergernis over de lamlendigheid van velen om er weer iets van te maken, verdriet om hetgeen verloren is gegaan en verbijstering vanwege de onvoorstelbare verwoesting, maar ook hoop en vertrouwen, en vastbeslotenheid om de stad weer op te bouwen, mooier en beter dan zij was, klinken door in de titeltrack. In dit nummer, waar u dus zijn hele verhaal kunt horen, redelijk simpel verwoord maar wel duidelijk en kritisch gebracht volgt hij de zwarte lijn op de gebroken huisjes, de hoogte van het waterpeil dat deze orkaan veroorzaakt heeft. Een lijn van weemoed die ook in de rest van de negen songs terug te vinden is. Grote kunst overstijgt de anekdotiek, hoe aangrijpend deze ook moge zijn. Bohren beseft dit en levert daarom een plaat af met veel lekkere songs die bijna allemaal een tik hebben meegekregen van de rijke muziekgeschiedenis van The Big Easy. De cd is opgetrokken rond deze titeltrack over de getroffen stad, maar het is niet allemaal hurricane muziek, want daaromheen heeft Bohren een aantal sfeervolle songs geweven die vele liedjes van zijn vorige platen overtreffen. Zo zijn de schitterende "Full Moon" en "Sand To Sand" naar mijn mening de fraaiste songs die Bohren tot nu toe schreef. Songs over het gewone leven, maar in het bijzonder het overleven in deze moeilijke tijden, waarin hij eens te meer bewijst een prachtige steelgitarist en een begenadigd roots/soulzanger te zijn. Zijn teksten zijn intens over het leven, gevoelens en gedachten en de ballast uit heden en verleden die een mens met zich meedraagt. Daarmee laat Bohren wederom weer zijn grote talent zien waarom hij zo gewaardeerd wordt. Daarbuiten focust Bohren zich op een bijzonder eigenzinnige, maar bovenal ook waanzinnig mooie versies van "Canned Heat" (Tommy McLennan), "Deportees" (Woody guthrie) en "Cairo Blues" (Henry Townsend). In zijn passie voor traditionele Amerikaanse muziekvormen kon zeker geen nummer ontbreken van Willie Johnson. In de afsluiter "Somebody On Your Bond" weet hij deze klassieker iets zeer mooi mee te geven, hetgeen hij ook wil doen met dit album aan de inwoners van New orleans. Deze cd is in het Duitse Solingen door Valve Records opgenomen in een productie van Reinhard Finke. Hier hoor je dus de man met zijn instrument en zijn liefde voor de folk en de blues. De warmte van de stem en akoestische gitaar is griezelig goed. "The Long Black Line" functioneert aldus op verschillende niveaus: als een sociaal statement van belang en bovenal als een rootsplaat van uitzonderlijke klasse. Bohren zijn virtuoze gitaarspel op allerlei snareninstrumenten zorgt voor mooie melodieën, die tegelijk rootsy en meeslepend zijn. Daarbij is zoeken wel eens belangrijker dan vinden, maar in de songs valt het gedreven, precieze spel op waarmee Bohren zijn teksten ondersteunen. Zo komt vanuit deze mix van invloeden een heel gretig en persoonlijk geluid tot stand. Kortweg: Wonderschone schijf van zeer getalenteerde singer-songwriter. Zijn karakteristieke stem en stijl maken "The Long Black Line" tot superieure rootsmuziek, een absolute must have voor elke liefhebber.

www.spencerbohren.com

 


 

DAVID MUNYON

label: Mobile Home Records

DISCOGRAPHY:
1993: "Code Name: Jumper". Glitterhouse Records
1995: "Stories From the Curve". Glitterhouse Records
1996: "Acrylic Teepees". Glitterhouse Records
1996: "Slim Possibilities". Stockfisch Records
1997: "Down to the Wire". Glitterhouse Records
1998: "Poet Wind". Stockfisch Records
2001: "Songs From the Mobile Home - Pretty Much Feng Shui". Mobile Home Records, solo/acoustic self produced album
2001: "From the Shade of the Big Mamosa". Mobile Home Records, self produced solo/acoustic album
2004: "Seven Leaves In a Blue Bowl of Water". Stockfish Records
2004: "More Songs for Planet Earth". Stockfisch Records
2004: "2 Billion Banjos, Blues Songs for EB". Mobile Home Records, solo/acoustic self produced album, distributed in Europe by Splodge's Music.
2006: "Song for Danko". Mobile Home Records

CODE NAME : JUMPER (1993)

David "Jumper" Munyon komt uit Midland City, Alabama en is een legende op singer songwriters gebied. Zijn teksten, zijn gitaar en zijn stem doen het werk. Hij is een eenzame held, een aantoonbaar bewijs van een tekstschrijver die zijn muzikale eindbestemming op de toekomst heeft gericht. Ondanks, of juist door, zijn ecologische visie en religieuze levensbeschouwingen is David Munyon op dit ogenblik nogal in trek in de singersongwriterswereld. Lang woonde hij samen met zijn vrouw Dixie, in een trailer, een afdankertje van Hank Williams, in Alabama, maar tegenwoordig woont Munyon en Dixie in Duitsland. Hij leeft eenvoudig, schrijft zijn songs, filosofeert, schildert, dicht en ... boert. Zijn werk is uitgebracht op Glitterhouse-, Stockfisch- en het Mobile Home label. Sinds 1993 brengt hij zijn platen uit, die soms niet eens in de winkel, maar louter via internet te bestellen zijn. "David is a Preacher. Johnny Cash, David's songs are pretty good, we have the same Birthday, August 19th." Aldus President Bill Clinton. Eric Burdon, Rick Travino en Jennifer Warnes vertolken songs van Munyon. Zelf stond hij afgelopen jaren op het podium samen met mensen als Bill Monroe, Suzanne Vega, Richie Havens, The Band, The Drifters, Terry Lee Hale, Joseph Parsons, Danial Putnam Green, Warren Haynes, Gene Gillespie, etc. Munyon is zo'n excentrieke singer-songwriter die het nog moet doen met een handvol fans, maar als apostelen verspreiden die zijn woord. Dit moois moet met iedereen gedeeld worden! Ook in Rootstime lieten wij vorige maand (oktober 2006) de lofzang voor deze artiest al horen, voor zijn laatste album "Songs For Danko". Maar reeds vanaf zijn debuut "Code Name: Jumper" (1993) heeft de excentrieke singer-songwriter zich een warme plek in ons hart veroverd. Dit is een wereldplaat waarop David de gelukkige bezitters van dit album op het puntje van de stoel doet zitten. De cd werd opgenomen met een backing bestaande uit Warren Haynes (Allman Bros.), Matt Rollings (Lyle Lovett), Lee Sklar (CSN & Y) en Anthony Crawford (Neil Young), en biedt vooral meer uiterst rustige, onderkoelde liedjes. Niettemin overtreft hij hier diverse malen zichzelf met een aantal nummers ("Earl's Song", "Hey Benny" en "Maybe Over the Border"), die zonder twijfel de beste genoemd mogen worden die wij van hem kennen. "Code Name: Jumper" klinkt rustig, warm, muzikaal en aangenaam met daarin centraal staand zijn zachte, intense, monotone stem. Wanneer u zich nu afvraagt of dat niet wat al te gelijkmatig klinkt dan kan ik me dat voorstellen. Deze schijf is dan ook bedoeld voor diegene die kan genieten van de kracht van een tekst en de subtiele nuances van akoestische instrumenten met de nadruk op gitaren. Alle teksten zijn van eigen hand en een aantal nummers worden extra aantrekkelijk door het prachtige elektrische gitaarspel van Warren Haynes, zoals in het openende "Maybe Over the Border".

SONGS FROM THE MOBILE HOME (2001)

En omdat Munyon zo uniek is in zijn soort is het aangeraden eens te luisteren naar zijn volgende albums "Stories From the Curve" (1995), "Acrylic Teepees" (1996), "Slim Possibilities" (1996), "Down to the Wire" (1997) en "Poet Wind" (1998), en u weet meteen welke gave deze religieuze poëtische messenger bezit. In het nieuwe millenium, start hij meteen met twee solo/akoestische projecten: "Songs From The Mobile Home" en "From The Shade Of The Big Mamosa" (2001), twee platen die hij enkel via zijn website verkoopt. Hoewel ik persoonlijk geen reden kan bedenken waarom Mobile Home Records twee cd’s tegelijk uitbrengt, heb ik daar in het onderhavige geval geen enkel bezwaar tegen.

In 2004 verschenen, op het Duitse Stockfisch Records, wederom twee cd’s van deze singer-songwriter. In de jaren 96/97 loopt hij voor deze opname de studio binnen, gaat zwijgend zitten, legt een boek voor zich neer met daarin 700 zelfgeschreven liederen, steekt een kaars aan en begint te zingen. Vooraf is er geen soundcheck, opnameleider Günter Pauler kan alleen maar hopen dat de vooraf gepositioneerde microfoon voldoende in zijn nabijheid staat. David zingt zonder pauze een dertigtal songs waarna hij de kaars uitblaast, het boek dichtslaat en de studio verlaat. Later zoekt Pauler een aantal muzikanten bij elkaar die met hun eigen ideeën en bijdragen de productie completeren. Daaronder Chris Jones (div. gitaren), Mike Silver (gitaren en tweede stem) en Hans-Jörg Maucksch (bas), maar ook multi-instrumentalist Beo Brockhausen. De liedjes voor "Seven Leaves In A Blue Bowl Of Water" en "More Songs For Planet Earth" werden opgenomen tijdens de befaamde sessies.

MORE SONGS FOR PLANET EARTH (2004)

De songs op "More Songs for Planet Earth" stammen dus uit oktober 1996 en anderen uit februari en augustus1997. Een periode waarin Günter Pauler van Stockfisch Records achter het mengpaneel zat. Pauler nam daar meer dan zestig naakte liedjes op. Een deel daarvan zijn terug te vinden op de cd's "Slim Possibilities" en "Poet Wind". Na de afzegging van Munyon’s live toernee in 2003 nam Pauler het initiatief en haalde 26 fenomenale oer songs van de plank. Hij stofte ze af en installeerde de Stockfisch huisband. Met het overgebleven materiaal zijn nu twee nieuwe albums samengesteld die tegelijkertijd uitgebracht worden. De eerste daarvan is deze "More Songs for Planet Earth", een cd die 13 nummers bevat die in totaal bijna 70 minuten muziek bieden. Daarvan zijn er tien geschreven door David en S.P.Standley oftewel ‘David’s adorable wife "Dixie". Bij de andere drie kreeg David hulp van derden. Het geheel doet me sterk denken aan die andere reedsvermelde Stockfisch release "Poet Wind". Dezelfde zachte, monotone, warme stem waarin de verschrikkingen uit het verleden doorklinken; het alcoholisme en de Vietnam oorlog die hij beiden aan den lijve ondervonden heeft. In de teksten komen veelal dezelfde onderwerpen terug, als baseball, wild west, civil war, god, jesus, vishnu, nature ..., en ook de namen van zijn begeleiders roepen herinneringen op aan "Poet Wind", Chris Jones (gitaar, dobro), Martin Huch (pedal steel), Mike Silver (backing vocals), Steve Baker (harmonica), Thomas Klippel (Hammond b3), Hans-Jörg Maucksch (bas) en Beo Brockhausen op meerdere instrumenten waaronder accordeon, didgeridoo en percussie. Op het eerste gezicht lijkt er dan ook geen verschil te zijn met eerdere cd’s. Dit verandert echter wanneer men eenmaal de moeite neemt om gedurende een langere periode meermalen naar deze plaat te luisteren. Dan blijkt dat deze selectie minimalistischer is dan de voorgaande compilaties. Een puristischer, ingetogener geheel zowel qua tekst als qua instrumentatie en in die zin vooral bestemd voor de gevorderde fijnproever die vertrouwd is met het eerdere werk en daarmee beter voorbereid is op het ontdekken van de onderliggende essentie.


SEVEN LEAVES IN A BLUE BOWL OF WATER (2004)

Wanneer ik "Seven Leaves in a Blue Bowl of Water" vergelijk met "Poet Wind" en het eerder genoemde "More Songs for Planet Earth" dan lijken deze twee compilaties qua instrumentatie en tekst nog het dichtst bij elkaar in de buurt te komen en mogelijk moet daarin dan ook de reden van de gelijktijdige release gezocht worden. Deze plaat bevat wederom voorbeelden van de sterke teksten die deze ‘storyteller’ en zijn vrouw te bieden hebben. Bijvoorbeeld over daklozen in "Men With No Friends", over vriendschap in "Words of Love" en liefde in "Unknown Blues". Ook al zijn een aantal teksten geschreven in samenwerking met anderen; de signatuur van het echtpaar blijft onverminderd herkenbaar. Op "Seven Leaves in a Blue Bowl of Water" bestaat zijn begeleiding natuurlijk weer uit dezelfde vertrouwde Stockfisch namen, zijn begeleiders in de ware zin des woords, virtuozen die een grote kwaliteit brengen in hun spel. De hier gepresenteerde combinatie van stem, teksten en begeleiding doen me al weer verlangen naar een volgende release van dit label, dat waarschijnlijk begin 2007 nieuw materiaal gaat opnemen.

2 BILLION BANJO: BLUES SONGS FOR ERIC BURDON (2004)

Munyon bracht datzelfde jaar "2 Billion Banjo: Blues Songs for Eric Burdon" op de markt. Een plaat opgenomen in eigen beheer en die wederom uitsluitend rechtstreeks bij hem zelf te bestellen is. Een plaat waarop alleen zijn gitaar en zijn stem te horen zijn. Puurheid op zijn best! Wanneer je met deze zelfrelease een parallel tracht te maken met de beide verschenen officiële cd’s van hierboven zal je merken dat niets aan deze opnames is opgesmukt, het is gewoon: "David Munyon – Solo Acoustic". En dat is dan ook het enige wat je hier aan zal treffen, allemaal nieuwe songs, opgenomen op Munyon’s zijn verjaardag op 19 augustus 2004 te Ozark, Alabama. Niet de illusie hebbend dat dit album zijn commerciële ommekeer zal betekenen, maar na een depressieve periode geeft hij duidelijk een statement van een man die nog lang niet afgeschreven blijkt. Want ik durf bijna te stellen dat de songs spannender zijn dan zijn voorafgaand werk, ongetwijfeld dankzij de bluesachtige benadering, waar bij Rootstime toch steeds onze voorkeur naar uitgaat. Toch horen we 65 minuten lang, een plaat met gevarieerde luistermuziek. De openingssong "World Love", wat een hommage aan Sir Paul McCartney is, opent met heerlijke minuutlange gitaar intro, "The American Blues" een Muddy Waters-achtige sound, "Never Give Up Blues" waarin hij zijn veerkracht etaleert, en dan weer een schitterende romantische ode in "Blue Roses". Kortom een heerlijk album met alle Munyon ingrediënten gevarieerd geserveerd.

SONG FOR DANKO (2006)

David Munyon is al een eeuwigheid aktief in het singer/songwriters wereldje. Nog steeds hangt er een mysterieus sfeertje rond de man uit Midland City, Alabama die samen met vrouwtje Dixie Blue (Sharon Peacock Standley) Duitsland als tweede verblijfplaats heeft gekozen. De man wordt nog steeds door alle critici de hemel ingeprezen (al ligt dat erg gevoelig met zijn religiueze overtuigingen), hanteert wel eens het penseel, is een fanatiek aanhanger van Yoga Methods of Medication (www.yogananda-srf.org), heeft met Jan Janssen (www.realrootscafe.com/davidmunyon.html) en Addy Nijenboer (zie foto- www.addynijenboer.nl) waarschijnlijk twee van zijn grootste fans in Nederland wonen, is regelmatig in onze contreien... en krijgt zijn albums niet aan de straatstenen kwijt. Van het album "Code Name:Jumper" dat beschouwd wordt als een cult-album gingen er in Amerika slechts een zevenhonderd over de toonbank. Het zal wel altijd een raadsel blijven waarom Munyon niet de verkoopcijfers en waardering (van het grote publiek) haalt van soortgenoten als Lafave, Greg Brown, John Prine, Townes Van Zandt. Al heeft deze laatste ook moeten wachten op (definitieve) erkenning tot hij het tijdige met het eeuwige verwisselde. Hopelijk zal het zo ver niet komen met Munyon want met het album "Songs for Danko" (Rick Danko, singer/guitarist from The Band * 29. Dezember 1942 in Simcoe, Ontario † 10. Dezember 1999 in Woodstock, New York) kan de man opnieuw een pareltje aan zijn omvangrijk oeuvre toevoegen. De opnames vonden plaats in de vermaarde studio's van Abbey Road (London) en natuurlijk kon Munyon niet aan de verleiding weerstaan om ook zijn passage op het inmiddels wereldberoemde zebrapad op foto vast te leggen. Twaalf songs in de vertrouwde stijl, sober muzikaal aangekleed (enkel gitaar) en thema's die Munyon nauw aan het hart liggen. Songs about love & peace, dreams, friends ... Munyon mag dan een "eigenaardig" wezentje zijn op deze aardbol, hij blijft een unicum in het singer/songwriters wereldje.

Met vier cd's voor Glitterhouse Records, vier voor Stockfisch Records, inclusief de drie eerdere geheel eigen producties, hebben we met deze "Song For Danko", al weer te maken met het 12de album, albums die allemaal voorzien zijn van dezelfde karakteristieke kenmerken: ijzersterke songs, ijzingwekkende voordracht en dragend gitaarwerk. Een must voor mensen die van dit genre houden.
Voor zij die nieuwsgierig gemaakt zijn, deze cd's zijn ondertussen allemaal verkrijgbaar via:
www.mobilehomerecords.com


 

ELEANOR McEVOY
YOLA - EARLY HOURS - OUT THERE
Website: www.eleanormcevoy.net
Label : MoscoDisc

Zonder enige overdrijving mogen we stellen dat singer-songwriter Eleanor McEvoy één van de grootste en meest bekende artiesten van Ierland is van de laatste twintig jaar. Vorig jaar nog waren al haar concerten in alle grote zalen van het Verenigd Koninkrijk volledig uitverkocht. Tot voor kort was Eleanor alleen te beluisteren met haar band, maar sporadisch begon ze ook solo (stem, gitaar, viool) op te treden. Zoals in 2004 in Paradiso in Amsterdam waar de recensente opmerkte: "Deze vrouw schoot recht naar het hart". Maar vorig jaar was ze ook op het Brugges Festival (12/11/2005) in de Stadsschouwburg te Brugge en toen schreef een ander reporter ondermeer: ...Haar stem heeft het donkere van Dolores Mary O'Riordan (Cranberries) en het beheerst overslaande van Sinead O'Connor. Haar bluesy gitaarspel is niet om over naar huis te schrijven, haar teksten en zang wel. Ze heeft een goed gevoel voor humor en is uit het kritische hout gesneden. Ze is speels, ondeugend, innemend en subtiel. "Wie mij kent weet dat vrijwel alle vrouwen in mijn liedjes door hun vriendjes worden gedumpt. Ik heb daar een nieuwe variant op gevonden", om meteen ‘The Rain Falls' in te zetten waarin een meid de bons krijgt per per e-mail. Geen tranentrekker maar een pittige song vol venijn, pittig gitaarspel, schoonheid en een knipoog. (...) Ze vertelt over de pub bij haar om de hoek in Wexford. In ‘Butlers' doet ze als 't kan elke vrijdagavond mee in een Ierse sessie. Niet zingend, maar op de fiddle. Ze zet de viool aan haar kin en speelt de slow air "Driving Home From Butlers". (...) Uiteindelijk grijpt ze natuurlijk terug naar haar eerste album. Een juichkreet van herkenning gaat door de zaal: "Only A Woman's Heart" ..... dit was een grote hit die deze klassiek geschoolde zangeres had in de begin jaren negentig, maar is ook het titelnummer van een compilatie-cd met Ierse zangeressen. Eleanor McEvoy begon haar muzikale loopbaan, na een klassieke opleiding aan het Trinity College van Dublin, bij het National Symphony Orchestra of Ireland. Na vijf jaar hield ze de wereld van de klassieke muziek voor bekeken en stortte zich vol overgave op haar echte passie: songwriting. Dat ze van wanten weet bewijzen haar eerder verschenen albums en haar verschillende wereldtournees op talrijke podia. Haar stijl is moeilijk onder te brengen in een specifiek muzikaal vakje, het neigt eerder naar folk/pop, alhoewel dat ook hier de vlag de lading niet volledig dekt.

"Yola" (2001), haar vierde solo-cd, klinkt minder Iers en eerder als een klassieke singer-songwritersplaat in de traditie van Carole King. We zien haar meer de richting ingaan van de elektrische pop/rock dan het meer rootsy en akoestische werk hetgeen we van haar gewoon zijn. Het was een wijs besluit, zowel artistiek als commercieel, het succes van dat album "Yola" opende de weg voor een geheel nieuw publiek voor de in Wexford wonende singer-songwriter.

"Early Hours" (2004), gaat in het verlengde verder, alhoewel met veel meer sterkere jazz invloeden dan zijn voorganger. Hier vind je minder die openheid, die luchtigheid van het vorige album, eerder dezelfde mooie stem maar met meer instrumentale opvulling. Zou McEvoy het ook zo aanvoelen met de eerste song op deze cd "You’ll Hear Better Songs (Than This)"? Toch vind ik "Early Hours" ook een knappe schijf met liedjes en teksten die de aandachtige luisteraar emotioneel weten te beroeren. Hier ook weer die akoestische instrumenten, doch meer de allure van een rockband aannemend in de up tempo nummers "Days Roll By" en "At The End Of The Day". Ook heel mooi en innemend is de Chuck Berry cover "Memphis Tennessee".

Op haar nieuwe album "Out There" blijkt McEvoy nog steeds over die heel mooie stem te beschikken die wonderwel past bij het door haar gebrachte genre. Deze plaat kwam er in samenwerking met twee goede vrienden, zijnde Liam Bradley (drums, percussie, backing vocals) en Dave Rotheray (bas) van the Beautiful South, met wie ze samen het nummer "Quote I Love You Unquote" schreef. Verder horen we twee prachtige vertolkingen van Marvin Gaye’s klassieker "Mercy Mercy Me", met enkel een akoestische gitaar als backing en Lowell George’s "Roll Um Easy". De overige twaalf songs zijn allemaal originals, songs van een ontwapenende eenvoud. Dit album weet de luisteraar te boeien met een mengeling van hoofdzakelijk akoestische instrumenten met pakkende teksten, die zo uit het leven gegrepen lijken, heel herkenbaar en vertaalbaar naar eigen gevoelens en situaties. Men zou haar er bijna van verdenken dat ze stiekem je dagboek leest! Dit is de ziel van een poëet in de huid van een getalenteerde singer-songwritster. Een onverslaanbare combinatie. We hebben hier te maken met een plaat die een enorme rust uitstraalt waarvan haar teksten handelen over de dingen des levens zoals de K.D.Lang getinte opener "Non Smoking Single Female" met zijn 'smokey lounge' sfeertje, geeft meteen aan wat u verder mag verwachten op dit album. Deze 'late night' muziek word verder gezet in de volgende tracks: "To Sweep Away A Fool", "Wrong So Wrong", "Little Look", "Three Nights in November" en "Mercy Mercy Me". Toch komt er wat meer beweging in het meer mid-tempo pop-nummer "Quote I Love You Unquote", dat het zeer goed zou doen als single van deze plaat. Het marimba gekleurde "So Much Trouble" is een brave keuze en tevens een zeer mooi nummer. Het absolute hoogtepunt is het nummer "Suffer So Well", een song die niet alleen omwille van zijn mooie melodie met mandolin en vioolspel, zo mooi is, het is gewoon een hartverscheurend nummer, gevolgd door het bluesy "The Way You Wear Your Troubles", dat ook weer ... zo mooi is. En zoals we dit wat gewoon zijn geworden is dit album uitgegeven op een Super Audio CD, deze sound zorgt natuurlijk voor het perfecte geluid op dit nieuwe pronkstuk, Eleanor McEvoy's beste album. Kortweg: "Out There" is een cocktail van jazz, folk en blues met ijzersterke teksten, schitterende melodieën en een stem uit de duizend van Ierlands meest talentvolle singer-songwriter..

www.eleanormcevoy.net

 


 

DAVID OLNEY

LENORA


Website: www.davidolney.com
Label : Strictly Country Records

De 57-jarige Amerikaanse David Olney werd in New Hampshire geboren en begon, beïnvloed door de folkmuziek van zijn tijd, rond zijn 13e levensjaar met gitaarspelen en zingen. Inmiddels woont hij in Nashville en heeft een indrukwekkende discografie op zijn naam staan. Daarop begeeft hij zich op de grensvlakken van de Amerikaanse folk. Zijn meest recentealbum "Migration" kwam uit in 2005 en kreeg lovende kritieken. Door zijn muzikale collega Townes van Zandt (zelf een icoon op folkgebied) werd David Olney terecht "one of the best songwriters I've ever heard" genoemd. Zijn werk bereikte een groot publiek doordat artiesten als Emmylou Harris en Linda Ronstadt nummers van hem opnamen. Zelf heeft Olney zich altijd min of meer in de muzikale onderstroom begeven en dat bevalt hem goed. Hij zegt hierover: "When you're 20 years old, you just want to be famous so badly, and I think it can be a real disaster artistically. There's a certain freedom in working in the fields of obscurity that I really enjoy." Zijn platen zijn enorm veelzijdig en wat betreft live-optredens heeft hij een grote staat van dienst. Ook in Nederland trad hij regelmatig op. Zo stond hij in 2003 op het Take Roots festival in Assen en gaf hij de volgende jaren een reeks van concerten bij onze noorderburen. Naast vele studio-albums had hij tot nu toe ook drie live-albums gemaakt. Het zojuist verschenen "Lenora" is zijn vierde live-album in een productie van Liz Meyer. Wil het cliché dat muzikanten een live-plaat uitbrengen om een periode van creatieve armoede te overbruggen, voor veel singer-songwriters gaat dit niet op. Singer-songwriters zijn de troubadours van deze tijd en komen het best tot hun recht wanneer zij het podium niet hoeven te delen met anderen en zijn aangewezen op hun stem en gitaar. Zijn warme luisterliedjes gedijen het best in een intieme setting. Bovendien beschikt hij over een goede, krachtige stem die geen al te prominente instrumentale begeleiding verdraagt. Daarom is "Lenora" geen overbodig tussendoortje, maar een volwaardige plaat. Het album telt dertien songs van eigen hand, die bij verschillende gelegenheden in Nederland, o.a. in de The Stonevalley Country Club in Lichtenvoorde, In the Woods in Hollandsche Rading en Chalet Ockenburg in den Haag zijn opgenomen in de periode Nov. 2004 - Nov. 2005. David Olney live zien en horen is een indrukwekkende gebeurtenis. Met een sobere, maar intense podiumverschijning brengt hij zijn nummers vol overtuiging. Afwisselend gevoelig, dan weer rauw en expressief. Zijn muzikale oeuvre bevat verhalende nummers naar aanleiding van historische gebeurtenissen, geschreven met een groot inlevingsvermogen, maar ook veel persoonlijke nummers en de nodige gevoelige liefdesliedjes. En zoals steeds vertokte hij ook tijdens deze optredens verschillende songs die inmiddels zijn uitgegroeid tot ware klassiekers in het genre, als "Jerusalem Tomorrow" en "Vincent’s Blues". Niemand minder dan Thomm Jutz stond Olney terzijde tijdens de 2004 tour en Mark Sergio Webb tijdens de 2005 tour. Met zijn uitvoering van de vele nummers uit zijn laatste album "Migration" bezorgde hij het publiek die avonden koude rillingen. Zo begint het album met het rockende "Speak Memory", gevolgd door het folky "Birds" en verhaalt hij een door de liefde tot waanzin gedreven tovenaar in "My Lovely Assistant". Ook track vijf en zes, respectievelijk "The Song" en "No One Knows What Love Is" behoren samen met de titeltrack "Lenora" tot die mooie songs van zijn laatste studioplaat. In nummers van dat kaliber wordt pas echt goed duidelijk waarom velen deze man zo graag naar Nederland zien komen, en dat deze liefde wederzijds is, staat te lezen in zijn voorwoord in het booklet: "My love affair with the netherlands continues .... I consider myself a lucky man to have somehow made it to Holland".

 

David Olney imponeerde in 1995 met het album "High, Wide and Lonesome", waaraan een keur aan grote namen meedeed. Wat te denken van Rick Danko, bijvoorbeeld, of Flying Burrito’s Sneaky Pete Kleinow, om maar een greep te doen. "Border Crossing" werd oorspronkelijk in 1992 uitgebracht, maar was slechts een beperkte tijd verkrijgbaar. Het is dan ook het meest gezochte album in het omvangrijke oeuvre van David Olney, hierin toont hij zich als een fijnzinnig singer-songwriter, die een breed scala aan stijlen tot in de puntjes beheerst. Naar aanleiding van van het nieuwe album "Lenora", ondertussen al zijn zeventiende, brengen we graag zijn laatste albums terug in de kijker die afwisselend bij Loud House Records en Strictly Country Records verschenen.

 


Migration - 2005
Loud House Records

Deze moderne troubadour heeft met zijn nieuwe album "Migration" bewezen dat hij nog steeds een antieke conceptplaat kan afleveren waarin hij de onvermoeibare, vaak geniale schrijver is van afzonderlijke liedjes. Door de soberheid en eenvormigheid van hun muziek willen platen van sommige singer-songwriters nogal eens onderling inwisselbaar zijn. Voor deze moderne troubadours is een plaat niet meer dan de som van de individuele songs die hiervan deel uitmaken. Olney vormt hierop een uitzondering. De constante kwaliteit van zijn songs (muziek en teksten), de variatie in stijlen en de thematische inslag van zijn platen maken dat elke volgende plaat zich onderscheidt van alle vorige en een zelfstandige plaats in zijn oeuvre inneemt. Neem nu zijn nieuwe studioalbum "Migration". Het is zijn zoveelste plaat, maar zeker niet de dertiende in een dozijn. Afgezien van zijn live-albums zijn Olney’s platen nooit zomaar een verzameling songs. Elk album heeft wel een eigen thema, waaromheen de songs losjes zijn gegroepeerd. Op zijn vorig album "The Wheel", waren tien songs van eigen hand gegroepeerd rond het thema 'wiel'. Op de nieuweling staan de elf liedjes (naast eigen songs en songs geschreven met Academy Award nominee Gwil Owen materiaal van de songwriting legend John Hadley) in het teken van 'migratie'. Verplaatsing in tijd en ruimte. Geen wonder dat op de hoes een paar vogels prijken en onze liedjesschrijver zich in enkele songs bedient van de metafoor van vogels en vliegen. Zo laat Olney in "Birds" een aantal vogelsoorten aan zijn fantasie ontspruiten die hij trefzeker typeert en voorziet van welluidende namen. Het kost weinig moeite in het gedrag van deze vogels onszelf te herkennen. Zo ook in "Lenora" kruipt hij in de huid van een vogel wiens partner tijdens de trek naar het zuiden wordt doodgeschoten, je moet er maar opkomen. "Migration" biedt een verscheidenheid aan mooie songs, maar desondanks vormt de afwisseling in stijlen een sterke eenheid. "No One Knows What Love Is" is een simpele countrydeun waarin onze liedjesschrijver het mysterie van de liefde bezingt alsook in het prachtige "My Lovely Assistant". Cajun is terug te vinden in het liefdesliedje "Light From Carolina", terwijl het betoverende arrangement van "All The Same To Me" je in een carrousel op de kermis doet wanen. Het kalme tempo van de plaat wordt op enkele plaatsen ruw onderbroken door een venijnige bluessong zoals de rauwe blues in "Upside Down" en "Ace Of Spade Blues" waar niet een gitaar of piano maar de fiddle van Deanie Richardson de blue notes plaatst. Een waar hoogtepunt vormt het door Rebecca Hall geschreven "Oh Lord", waarin een jonge man God smeekt hem, in weerwil van zijn zonden, niet het leven te ontnemen, vrijwel het meest lyrische en ontroerende nummer van "Migration" en bezorgt de luisteraar kippenvel. "Migration" is gewoon Americana op zijn best.


ILLEGAL CARGO - 2004
Label : Strictly Country Records

Weinig singer/songwriters zijn zo productief als David Olney. Bijna elk jaar brengt hij een nieuwe studioplaat uit en deze gestage stroom wordt zo nu en dan slechts onderbroken door een live-album. Niet zelden lijdt kwaliteit onder kwantiteit, maar David Olney beschikt over en schier onuitputtelijke inspiratie. Deze moderne troubadour heeft nog nooit een slechte plaat gemaakt. "Illegal Cargo"(2004) telt 14 songs die de afgelopen jaren bij verschillende gelegenheden in Nederland zijn opgenomen. De plaat vormt zo een welkome aanvulling op zijn vorige live-album "Women Across The River", dat uit dezelfde periode opnamen putte. Met zijn verhalende liedjes, mooie melodieën, sobere gitaarspel en zijn prachtige stem weet David Olney ons hier andermaal te raken. "Illegal Cargo" kent verschillende hoogtepunten. Olney heeft vele mooie liefdesliedjes geschreven, maar "If My Eyes Were Blind" is zijn meest lyrische en ontroerende. In Lean And Hungry Years" laat Olney zich vergezellen door onze eigen Ad Vanderveen en samen bezorgen zij de luisteraar kippenvel. Ook de titelsong en het intieme "All Of The Love" dingen om de gunst van de luisteraar. "Illegal Cargo" eindigt met "Snowin’ On Raton" van Townes van Zandt. Waardiger dan met dit eerbetoon aan de grootmeester had deze plaat niet kunnen besluiten.

LIVE IN HOLLAND - 1994 / 2004
Label : Strictly Country Records

"Illegal Cargo" is pas dit jaar verschenen en nu dient zich warempel weer een heruitgave van zijn eerste live-plaat uit 1994 aan tevens ook op het Nederlandse label Strictly country Records. "Live In Holland" luidt de titel van dit album.Veel onderscheid maakt deze titel niet, want bijna al zijn live-albums zijn in Nederland opgenomen. "Live In Holland" bevat de registratie van een optreden van onze favoriete singer/songwriter in The Stonevalley Country Club in Lichtenvoorde in het najaar van 1993. Die avond speelde Olney, slechts vergezeld van zijn gitaar, mooie intieme liedjes als "Poor Clothing", "That’s Why She’s With Me" en "What Would I DoWithout Your Love". Ook vertokte hij verschillende songs die inmiddels zijn uitgegroeid tot ware klassiekers in het genre: "Jerusalem Tomorrow" en "Vincent’s Blues". Niemand minder dan Steve Young stond David Olney die avond terzijde in het nummer Rose Tattoo. David Olney staat in een muzikale traditie waarin Townes van Zandt hem voorafging en hem tot voorbeeld diende. Zelden of nooit laat David Olney na tijdens zijn optreden eer te betonen aan deze troubadour. Met zijn uitvoering van het door Townes geschreven "Rex’s Blues" bezorgde hij het publiek die avond in de herfst van 1993 koude rillingen. Wij zijn blij dat we er met deze heruitgave van "Live In Holland"getuige van mogen zijn.

THE WHEEL - 2003
Label : Loudhouse Records

"The Wheel": Tien songs van eigen hand zijn hier gegroepeerd rond het thema 'wiel' en vormen ondanks de afwisseling in stijlen een sterke eenheid. De plaat is gelardeerd met korte songfragmenten waarvan sommige door anderen worden gezongen. Dromerige ballads als "Now And Forever" overtuigt Olney ons het meest. Melodie, tekst en zang vormen hier een perfecte eenheid. De stem van Olney lijkt geschapen voor het zingen van zijn eigen ballads. En hoe bedroevend mooi vertolkt David zo’n liedje toch! Voortjagende en onstuimige rocker "Big Cadillac", midtempo-song "Voices On The Water" en een rustig walsje "Stonewall" trekken hier aan de luisteraar voorbij. Heeft Olney in zijn rocksongs nogal eens de neiging zijn stem te forceren en zich te overschreeuwen, zijn ballads zingt hij daarentegen prachtig en welhaast onovertroffen. David Olney heeft vele mooie liefdesliedjes geschreven, maar "Now And Forever" en "The Girl I Love" zijn de meest lyrische en ontroerende songs en bezorgen de luisteraar kippenvel.


WOMEN ACROSS THE RIVER - 2002
Label : Strictly Country Records

David Olney is een singer-songwriter van het allereerste uur en kan slechts weinigen in dit genre zijn gelijke noemen. (Hier gaan de gedachten onwillekeurig naar zijn overleden vriend Townes van Zandt uit.) In de loop der jaren heeft David Olney een indrukwekkende staat van dienst opgebouwd met het uitbrengen van vele studioalbums. In 2002 verscheen het album "Women Across The River", een live-plaat waarop de beste songs van David Olney in de best denkbare uitvoering zijn verenigd. Het album telt veertien songs van eigen hand, die bij verschillende gelegenheden in Nederland zijn opgenomen in de periode 1996-2001. De meeste hiervan zijn rustig en verhalend van toon. Hoogtepunten hieronder zijn "Saturday Night And Sunday Morning", "I’ll Fall In Love Again" en "Solid Gone". Deze songs worden afgewisseld met een enkele rocker als "Bathsheba’s Blues" en "If I’d Have Known I Couldn’t Do It". Met "Women Across The River" heeft David Olney een nieuwe diamant aan zijn kroon toegevoegd.

 



CYNDI BOSTE

 

 

FOOTHILL DANDY
www.cyndiboste.com.au

Info : Sound Vault Records

 

Een introductie over wie eigenlijk de uit het Australische Melbourne afkomstige Cyndi Boste lijkt bij de Rootstime muziekkenners overbodig. Toch wil ik, met het schrijven van deze recensie, proberen de ook niet gelouterde lezer te interesseren voor deze markante dame, dewelke ons werkelijk verrast met haar vierde album: "Foothill Dandy", de naam die ze ontleende uit haar jeugd, want in deze buurt groeide Boste namelijk op. Ja, u leest het goed, Cyndi is dat niet alleen maar is bovendien ook nog eens een zeer geavanceerde singer-songwriter waarvan er maar een paar over deze wereld rondlopen. En nu iedereen er lovend over doet, mogen wij ons wel even laten gaan. Boste die gedurende de laatste zeven jaar reeds drie releases op markt bracht, verrast ons werkelijk met het fraaie "Foothill Dandy", waarop we een zangeres horen die op geheel eigen wijze invloeden uit folk, country, blues en gospel vermengt in prachtliedjes. Had haar muziek vroeger misschien wel wat raakvlakken met deze van Lucinda Williams, mag gezegd worden dat Boste nu beschikt over een volkomen uniek eigen geluid. Van dat soort muziek kunnen we niet genoeg krijgen, deze vierde plaat wordt daarom ook door ons met open armen ontvangen. Cyndi Boste doet meer met country. In wezen beproeft ze tamelijk traditioneel het singer-songwritergenre, maar daar voegt ze allerlei elementen (vooral bluesy invloeden) aan toe waardoor de elf liedjes iets eigens meekrijgen. En wat een begeleiding ! Zo horen we o.a. de slidegitaar van Craig Pilkington en de drums van Dave Folley in het zompige "Asleep At The Wheel" en is Bruce Haymes (Hammond) op zijn best in het soulvolle "Don’t Go There". U heeft het reeds begrepen, "Foothill Dandy" is een zeer gevarieerd schijfje geworden. Luister ook maar naar andere invloeden in de songs, als country in het openende "Maybe I Might", blues in "Swamp City" en Americana in "I’m Alright". Een plaat met ijzersterke liedjes laat vooral een traditioneel country-bluesgeluid horen, en hier en daar komt wat folk om de hoek piepen. "Foothill Dandy" bestaat uit geweldige singer-songwriter liedjes met als thema’s, de liefde in al haar facetten, het artiestenbestaan ... songs die haar afkomst verraden, maar die tegelijkertijd opvallen door eigenzinnigheid. Wat nog het meest opvalt aan de muziek van Boste is de intensiteit er van. Boste doordrenkt haar muziek met passie en emotie en weet ons in ieder geval zeer te raken met "Foothill Dandy". Grote kans dat deze cd ook jou niet onberoerd laat. Vergelijken met anderen is zinloos want Cyndi Boste heeft een opvallend eigen geluid. Een geluid dat wat ons betreft heel veel toekomst heeft. Ik begrijp niet waarom Cyndi Boste, helemaal vanuit down-under, het helemaal in haar eentje mag uitzoeken en nog geen deal heeft in Europa. Onverklaarbaar en vol onbegrip neem ik kennis van de dingen! Australische altcountry en roots. Absolute top!



SCRAMBLED EGGS (2004)

Op haar vorige CD's "Home Truths" en "Push Comes To Shove" waren de songs erg dicht bij haar lijf geschreven, op de cd "Scrambled Eggs" uit 2004 maakt ze echter ruimte om deze wat verder van zich af te zetten, en daarom besloot zij om wat liedjes van bevriende songwriters op te nemen. Zo stoten we hier bijvoorbeeld op pennenvruchten van Vikki Simpson van The Waifs ("Compan"), Barb Waters ("My Brother’s First Girlfriend"), Suzannah Espie van het fantastische Git ("Car Outside The Bar") Nicole Brophy en Jodi Moore van Dirty Lucy ("Ride"), Tiffany Eckhart ("Think About You") en nog een aantal onbekendere artiesten zoals de bluesy opener "Oh My Country" van Dave Steel, "Never Look Back" van Andy Cowan, dat extra zeggingskracht krijgt door de elektrische gitaar van Mia Dyson en het tempoliedje met blues- en gospelgevoel "Jesus On The Mainland" van Maurice Frawley. Buiten deze tien favoriete songs voegt zij daar als bonus een bewerkt eigen liedje aan toe, het tragische countrygetinte "No Way Out", plus twee live-nummers uit haar oeuvre, "Holy Waters" en "Roller", in 2003 live ingeblikt op het Port Fairy Folk Festival. "Scrambled Eggs" is een goede plaat, samen met haar semi-akoestisch combo heeft ze hier een album afgeleverd in een bluesy rootsstijl, en bewijst Cyndi Boste weer dat ze bruist van zelfvertrouwen.


PUSH COMES TO SHOVE (2002)

In 1999 maakte de uit Melbourne, Australië afkomstige Alt Country singersongwriter Cyndi Boste al indruk met haar solo debuut "Home Truths". Wat mij direct opviel, bij het beluisteren van haar CD "Push Comes To Shove", is dat Boste zich niet bezig houd met wat je noemt het typische meisjes gedoe. Zo staat het niet alleen in haar CD profiel maar het is doodgewoon ook zo. Omdat duidelijk te maken moet ik u verwijzen naar de zeer uiteenlopende songs op deze CD. De opener "Holy Waters" sluipt je huiskamer binnen en is een kanjer van een rootsrocktrage, waarin Boste terugblikt op een stukgelopen relatie, terwijl bij het up-tempo "Take My Hand" daarna, met indrukwekkend slide werk van de hand van gitaar en producer legende Kerryn Tolhurst, de voetjes van de grond gaan. Het plofte bij mij pas echt toen het soulvolle "Same Things" klonk. Ik leg de link naar een van mijn idolen Toni Price. De rootsy country blues pakt me van alle kanten en ik blijf met interesse luisteren. Telkens weer duiken nieuwe dingetjes op. "Suffer Me One More Day", een prachtige country ballade, word weer prima opgevolgd door het Fleetwood Mac aanhorende "Living In The Neighbourhood". Cyndi Boste wordt overigens ondersteund door een prima uitgebalanceerde band bestaande uit Dave Steel, Andy Swan, Paul Hester, Andy en Rory Cowan.


HOME TRUTHS (1999)

Een lichtjes hese stem in een sober desolaat klinkende setting dat staat voor deze "Home Truths" van Cyndi boste. Zo'n plaatje dat in de late uurtjes het best tot zijn recht komt. Zoals eerder vermeld, klinkt deze cd vrij sober. Nergens wordt hier overbodig gesoleerd. Boste wil zich liever profileren als Lucinda Williams, alhoewel ze zelf Janis Joplin als voorbeeld citeert. Hoe dan ook, beide dames dienen alleszins hoger getaxeerd te worden dan Boste. Ondanks de redelijk soliede songs, komt deze "Home Truths" niet echt van de grond. Haar teksten zijn niet echt van cliché-matige rijmelarij. Nergens wordt er dan ook een extra dimensie toegevoegd aan de vrij traditionele opbouw van de songs, op dit toch wel sfeervol en degelijk gespeeld debuutalbum. Wat resteert in een cd vol met sfeervolle dobro's, tremelo-gitaren en een groot laid-back karakter. Boste schotelt de luisteraar elf zelfgeschreven ruwe briljantjes voor, waarin ze het leven niet bepaald als een lolletje voorstelt. Zo zingt ze meteen op de sinistere opener: "I'm gonna take a long night ride, under moonlit skies. And let all my trouble lay down" Ook op de andere tracks is ze zoekende "Find My Way Home", blikt ze terug op turbulente gebeurtenissen "Daddy Comes Home", is ze de weg compleet kwijt "Now Way Out" en overpeinst ze haar liefdesverdriet, de gospelsong "If I see You". Kortom, herkenbaar voor iedereen. Dus haal je troost uit deze prachtig door Boste en haar formidabele band toongezette cd.

 


 

NICK MOSS AND THE FLIP TOPS

 


LIVE AT CHAN'S
SADIE MAE
COUNT YOUR BLESSINGS
GOT A NEW PLAN
FIRST OFFENSE

Website: www.nickmoss.com
Label : Blue Bella Records
info : www.bluebellarecords.com
www.cdbaby.com


De huidige blues scene is vergeven van de gitaristen die het genre aanwenden als vehikel voor vuurwerk op de zes snaren. Voor hen tellen snelheid en hoeveelheid noten daarbij zwaarder dan emotie, opbouw, toon en stemming. Veel van deze muzikanten zijn op de blues afgekomen vanuit een rock-achtergrond. Hun omarming van het genre heeft iets kunstmatigs. Ze spelen de noten, maar voelen ze die ook? Bij sommige van de muzikanten die dit pad bewandelen, gaat de voorliefde voor deze muziek iets dieper. Zij scheppen plezier in het begele
iden van oude bluesartisten, die op deze manier een nieuw publiek bereiken. Vaak echter wringt die begeleiding, die dan ook lang niet altijd getuigt van inleving in de artiest. Een nog zeldzamer verschijnsel is de gitarist die zijn vaardigheden heeft opgedaan door te spelen met en te luisteren naar deze veteranen. Die heeft dan dan de kneepjes geabsorbeerd van wat aanvankelijk leek op een eenvoudige muzikale stijl, die echter- net als het dagelijks leven zelf - doortrokken bleek te zijn van complexiteiten als waarheid, gevoelens en emotie. Muzikanten die dit pad hebben bewandeld, hebben de wortels van het genre bestudeerd, doorgrond en geabsorbeerd. Bij hen vertelt elke noot een verhaal. Zo'n muzikant is zanger/gitarist Nick Moss. Want Nick heeft iets speciaals in huis: hij beheerst als geen ander de klassieke Chicago sound en mag met recht en reden beschouwd worden als de schatbewaarder van het genre. Vroeger was hij de ster van The Legendary Blues Band en mocht hij drie jaar lang met Jimmie Rogers mee op tournee. In ’99 was het tijd voor een eigen band en vijf cd's en twee W.C. Handy Awards. Dat Nick en zijn Flip Tops garant voor de meest authentieke Chicago Blues die ook echt uit Chicago komt konden we reeds horen op zijn albums: "First Offense" (1999), "Got A New Plan" (2001) en "Count Your Blessings" (2003).

Met "Sadie Mae" (2005), genoemd naar de naam van zijn schattig dochtertje (19/5/04), het mooie kind heeft op haar beurt haar naam te danken aan de de gelijknamige Hound Dog Taylor / John Lee Hooker songs is Nick Moss, ooit nog onder de vleugels van legende Jimmy Rogers, aan zijn vierde down home, hard - core Chicago blues album toe. Liefst zestien songs met als opener de titelsong "Sadie Mae" dat wij vanaf heden voordragen als de nieuwe "Cucamonga" intro (iedere maandagavond VRT 1 Radio ). Klinkt de naam Nick Moss je misschien nog onbekend in de oortjes, luister dan eens naar tracks "I Never Forget", "Check My Pulse" of het jumpertje "Just like this" en als Moss dan ook nog de smoelschuiver hanteert, het pianootje / orgeltje van Bob Welsh (Rusty Zinn, Charlie Musselwhite) het ganse album een hoofdrol speelt , dan zal je net als wij volmondig toegeven dat die man thuishoort op BRBF Peer, Belgium 2006. Prima Chicago blues in de beste Howlin Wolf, Elmore James, Buddy Guy, Muddy Waters traditie met "The Money I Make" en "One Eyed Jack" het naar ten huize van Nick Moss refererend instrumentaaltje "Ridin' On the Ranch" en de schitterende covers van "You Got To Lose", "Crazy Woman Blues" en "If I Could Get My Hands On You". Maar niet alleen Moss weet van wanten als het over gitaren gaat, Gerry Hundt (major fan v. Fenton Robinson), rhythm, lead guitar op "Feel So Unchamed" bewijst uit het goede 'gitaar' hout te zijn gesneden. Prima geluidje met de drums van Victor Spahn en het rockend pianootje van Bob Welsh in "The Coldcut Stomp", "Gone Hoggin'" en de bas van Dave Wood in de veelzeggende titel / song "Everybody Got To Go". Er mag niet langer meer getwijfeld worden : "If people go back and listen to all four of the CDs, they'd see a growth with each disc of more contemporary elements. My first album is straight-up '50s-style blues, and the next two are a really good mix [of classic and contemporary blues styles of the '60s and '70s]. The new one, Sadie Mae, is a clearer picture of what we do live. (Nick Moss).


Het zal wel puur toeval zijn maar toen wij in onze recensies opperden dat ondermeer bandjes als Rockbottom James & the Detonators (zie Rev : Juni 05) en Nick Moss and The Flip Tops zonder meer thuishoren op BRBF Peer (Europa's grootste Bluesfestival) hadden wij niet het flauwste vermoeden dat er gevolg aan zou gegeven worden. De jongens uit "Down Under" brachten afgelopen jaar een welgesmaakt bezoekje aan de Deusterstraat en de editie 2006 zal de Chicago blues van Blue Bella Records adepten Nick Moss en zijn Flip Tops mogen verwelkomen. Een terechte beslissing want het schitterende album "Sadie Mae" werd niet alleen door ondergetekende de hemel ingeprezen, het kwam binnen uit het niets op nr. 1 in de Living Blues Radio Chart en het kon rekenen op twee nominaties ('Album of the Year', 'Traditional Album of the Year') voor the Blues Music Awards. Ondertussen stond het gezelschap uit Chicago al op het podium van het (uitgeregende) Spring Blues Ecaussines en werd Nick Moss uitgebreid in het zonnetje gezet door de collega's van Bobtje Blues (www.bobtjeblues.com) voor zijn prestatie als meer dan zo maar een begeleider van RJ .Mischo op het Duvel Blues Festival. Het zou mij niet verbazen moest de man uitgroeien tot een van de revelaties van BRBF 2006 en vind het persoonlijk erg jammer dat de man al zo vroeg op de dag geprogrammeerd staat. Het lijkt mij de perfecte afsluiter, een menig die nog gesterkt wordt door het beluisteren van het nagelnieuwe live album dat op 11 juli zijn release kent. Wij mochten het album al onder de loepe nemen en het klinkt effenaf schitterend ... this is how Chicago Blues is meant to be heard: honest, energized and visceral! Krachtig gitaarspel dat geen enkel moment verveelt, een aangename bluesstem en uitgebreide aandacht voor zijn Flip Tops. (Willie Oshawny - piano, orgel, bass toert al een tiental jaren met Nick, Gerry Hundt - bass, guitar & harmonica en Victor Spann - drums waren ook van de partij op "Sadie Mae"). Prima muzikanten die voor deze gelegenheid ook nog versterking kregen van "Monster" Mike Welch en met brio in hun opzet zijn geslaagd ... het album moest de perfecte weergave zijn van een live concert en het mag vetjes onderstreept worden... Bob Sloane leverde met zijn mobiele recording studio een glansprestatie. De opnames hadden plaats op 14/7/2005 at Chan's in Woonsocket, Rhode Island en moeten beschouwd worden als een huzarenstukje voor zowel artiesten als technici. Nick Moss die nooit gebruik maakt van een playlist schittert en laat schitteren en plaatst met de songs "Check My Pulse", "I Never Forget" en "One - Eyed Jack" het album " Sadie Mae" nog eventjes in de belangstelling. Moss grasduint met "Egg Roll Stroll" , "Just Like That" en "Move Over Morris" (inspired by Magic Slim) verder in zijn eigen materiaal en kiest dan bewust voor een aantal niet overdone covers. Freddie King's "I Love the Woman", Jimmy Reed's "the End" ,"Your Red Wagon" van Jimmy Witherspoon, "It's Good in Your Neighborhood" van Buster Benton en onsterfelijk gemaakt door Magic Slim en Earl Hooker's "Wine - O - Baby Boogie" passeren de revue en laten in totaal meer dan 76 minuten onvervalste Chicago blues op ons los.


 

WALTER TROUT

RELENTLESS (2003)
DEEP TROUT (2005)
FULL CIRCLE (2006)

Website : www.waltertroutband.com
Label: Ruf Records / www.rufrecords.de
Distr. : Munich Records / www.munichrecords.com


Het verhaal achter Walter Trout zal niet bij iedereen bekend zijn. Hier een korte biografie. Walter Trout is in 1951 geboren in Atlantic City, Amerika. Op twaalfjarige leeftijd krijgt hij een gitaar van zijn broer en ondanks dat hij al jaren niet onverdienstelijk trompet speelt, gaat die al snel voorgoed de koffer in. In het begin zijn het vooral de Beatles die hem stimuleren om gitaar te gaan spelen. Ook mensen als B.B. King en Muddy Waters hebben een grote invloed op hem, maar de meeste invloed heeft gitarist Paul Butterfield. In zijn eerste (school)bandjes speelt de jonge Walter echter geen gitaar, maar mondharmonica. In die tijd speelde hij met zijn band in hetzelfde circuit als een andere band, genaamd Steel Mill. De zanger en gitarist van die band was Bruce Springsteen, die later uit zou groeien tot een van de grootste rocksterren van de laatste twintig jaar. Als Walter zestien jaar is, verhuist hij van Atlantic City naar New Jersey en krijgt hij de gelegenheid om als gitarist in een band aan de slag te gaan. Dit is de band van Louisiana Red, waar hij vier jaar mee samenspeelt. In 1973 verhuist Walter naar Los Angeles waar hij een aantal jaren in diverse clubbands speelt. In deze periode doet hij ook enorm veel ervaring op bij artiesten als John Lee Hooker, Joe Tex en Percy Mayfield. In 1979 wordt hij gitarist bij Canned Heat. Vijf jaar speelt hij in die band als hij in 1984 kennis maakt met John Mayall en in zijn band The Bluesbreakers gaat spelen. Ook in deze band speelt hij vijf jaar als hij in 1989 op een avond de zangpartijen van John Mayall overneemt, omdat deze te ziek is om op te treden. Een paar mensen van een kleine Deense platenmaatschappij zijn zo onder de indruk van de zang en het gitaarspel van Walter dat ze hem na afloop aanbieden om een eigen band samen te stellen en een tournee door Scandinavie te ondernemen. Walter denkt twee weken na over het aanbod en neemt op zijn verjaardag ontslag bij John Mayall. Walter stelt een eigen band samen met Jimmy Trapp op basgitaar, Daniel 'Mongo' Abrams op hammond orgel en drummer Leroy Larson. Ze toeren door Scandinavie en nemen in 1990 het eerste album op, genaamd "Life In The Jungle". Het tweede album, "Prisoner Of A Dream" komt een half jaar na het debuutalbum uit en is het eerste echt complete studio-album van de band. Drummer Klas Anderhel zit achter de drumkit tijdens de opnamen van het album en tijdens de bijbehorende toernee. In oktober van 1992 komt "Transition" uit en dit is het derde album van de band. Dit maal zit Bernie Persley achter het drumstel en daar zal hij niet snel meer achter vandaan gaan. Na drie albums komt het live-album "Life, No More Fishjokes" uit met daarop een verzameling van de beste Trout-nummers en een aantal nummers van anderen. In 1994 komt het album "Tellin' Stories" uit met Martin Gerschwitz achter de keyboards. Hij heeft de plek van Daniel 'Mongo' Abrams overgenomen. Vooral het nummer "Please Don't Go", dat over het overlijden van Walter's moeder gaat, laat een diepe indruk achter. Het zesde album "Breaking The Rules" verschijnt in 1995 en werd geproduceerd door Walter zelf omdat hij nu alle touwtjes in handen wil hebben en om de echte Walter Trout-sound op het album te krijgen. In 1997 komt er een nieuw studioalbum uit. Het album heet "Positively Beale Street" en is opgenomen in Memphis samen met producer Jim Gaines, die in het verleden albums van Stevie Ray Vaughan, Huey Lewis & The News en Steve Miller heeft geproduceerd. In 1998 brengt de band z'n nieuwe platenmaatschappij Ruf Records in Amerika het "Positively Beale Street" album uit met als titel "Walter Trout". Hierop staan dezelfde nummers als op "Positively Beale Street", maar de volgorde van de nummers zijn iets anders zo-ook de cover en het boekje. In 1999 komt het album "Livin' Every Day" uit. Ook dit album is in Memphis, samen met producer Jim Gaines opgenomen. Voor het eerst is Paul Hallestad, de nieuwe Hammond-orgel speler te horen op een Trout-album. De groepsnaam is veranderd in Walter Trout and the Free Radicals. In 2000 komen er twee live-albums uit, nl. "Face the Music (live on tour)" en "Live Trout". Deze laatste is een dubbelalbum opgenomen op het Tampa Bay Blues Festival in maart 2000. In mei 2001 staat er een nieuw studio-album op de planning. In januari 2001 is de naam van de band wederom verandert, dit omdat er al een band in Amerika de naam 'the Free Radicals' draagt. De nieuwe naam luidt: 'Walter Trout and the Radicals'. De naam van het nieuwe album luidt: "Go The Distance" en ligt sinds 22 mei 2001 in de winkels.

Op 14 maart 2003 neemt de band een heuse live CD/DVD op in Paradiso, Amsterdam. Deze verschijnt eind augustus van datzelfde jaar onder de naam "Relentless" in de winkels en is meteen een groot succes, zowel in Europa als in Amerika. Daarop horen we de vernieuwde Radicals, bestaande uit bassist J. Trapp, drummer Joey Pafumi en Sammy Avila op Hammond B3. Alsof het hem geen moeite kost, perst Trout er dertien splinternieuwe nummers uit, die energiek klinken en goed in het gehoor liggen. De rustige en ontroerende ballad "Cry If You Want To" en de akoestische folksong "Lonely Tonight" worden afgewisseld met stevige bluesrock ("Life I Chose") en slow blues ("My Heart is True"). Een pluspunt is wel dat hij sinds geruime tijd is afgestapt van de ellenlange gitaarsolo's waarop hij toch wel het patent had. Trout houdt het op "Relentless" een stuk compacter, zodat de verveling geen gans krijgt. Zo weet de gitaarbeul het niveau van vorige albums moeiteloos te evenaren.

Begin 2005 verschijnt het verzamelalbum ‘Deep Trout’, The Early Years Of Walter Trout. Op dit album staan, zoals de subtitel al doet raden, nummers uit het begin van Walter’s solocarrière toen hij nog onder contract stond bij het Provogue-label, vooral nummers uit het album "Prisoner Of A Dream"(1991), maar ook nummers uit de albums "Transition" (1992) en "Breakin' the Rules" (1995) komen aan bod. "Deep Trout" laat goed horen waarom Trout succes kreeg: zijn spierballenblues weet hij toch te koppelen aan ingetogen momenten en dat zorgt ervoor dat zijn muziek een erg dynamisch karakter krijgt, zijnde mooie instrumentbeheersing en dito zang. Toch vind ik dat 'The early years of Walter Trout'-albums wat meer diepgang en variatie hebben dan zijn laatste studioplaten (vaak vrij langdradig). Liefhebbers van dit soort bluesrock kunnen deze plaat dan ook blind aanschaffen. Voor de gelegenheid is "Deep Trout" verrijkt met drie bonustracks: één akoestisch nummer "Life in the Jungle", één uit 1973, een cover van Junior Walls "So Sad to be Lonely" opgenomen op 21-jarige leeftijd in New Jersey en één met Trout als begeleider van Freebo op diens album waar Trout wel degelijk laat horen wat een talent hij toen al was.

Mijn bewondering voor Walter trout neemt steeds grotere vormen aan. Want hoe slaagt deze muzikant er telkens opnieuw in om tussen de vele optredens die hij jaarlijks wereldwijd verzorgt, nieuwe albums op de markt te brengen? Waar haalt deze workaholic de tijd, energie en inspiratie vandaan? Het zal ongetwijfeld met zijn sobere levensstijl te maken hebben. Uitspattingen zijn hem vreemd. En vooral hecht Trout erg veel aan het geloof. Daaruit put hij waarschijnlijk zoveel innerlijke rust, dat hij tot meer in staat is dan de meeste van zijn collega-musici. Op 24 augustus 2005 overleed bassist 'vanaf het eerste uur' Jimmy Trapp aan de gevolgen van een zware beroerte. Omdat Jimmy al langere tijd ziek was, was er al een vervanger voor hem in de persoon van Rick Knapp. Na het overlijden van Jimmy blijft Rick in de band en blijkt een frisse, energievolle invloed op de band te hebben. Binnen de kortste keren heeft hij zijn eigen plek in de band bemachtigd. Voor het jaar 2006 staan twee projecten op stapel: allereerst een jamalbum, waarop naast Walter en de band ook een aantal andere bekende gitaristen zullen meespelen en een nieuw studioalbum, waar Walter al een heleboel nieuwe nummers voor klaar heeft liggen die hij tijdens het toeren in 2005 geschreven heeft. Maar vooreerst is er nu de eerste studio-CD, "Full Circle", sinds vijf jaar, een cd waarbij grootheden als John Mayall, Jeff Healey, Joe Bonamassa, Coco Montoya, Bernard Allison, James Harman, Guitar Shorty, Junior Watson, Eric Sardinas en Finis Tasby hebben meegewerkt. "Full Circle" is feitelijk een registratie geworden van waar de blues vandaan komt en waar die heen gaat, waar de blues nu anno 2006 voor staat. Walter's focus: with "Full Circle" was to break down artificial barriers between the music of "blues purists" and "blues rockers", en met deze scheiding is Trout in alle glans gelukt. Deze cd, waarop hij samenwerkt met 25 bluesmuzikanten, en officieel pas op 20 juni uitgebracht wordt, is een lange gekoesterde droom die nu werkelijkheid is geworden. Naast de reeds genoemde artiesten waren ook Richie Hayward,Deacon Jones, Jonny Ray Bartel, Bill Bateman, Alec Fraser, Al Webster, Dave Murphy, Stephen Hodges, Buddy Clark, Rob Rio, Danny Timms, Larry Keene en zijn vaste maatjes Rick Knapp, Joey Pafumi en Sammy Avila van de party. Alle ingrediënten zijn aanwezig: van dampen tot slow en andersom. Toch vind ik dat "Full Circle" meer diepgang en variatie heeft dan al zijn vorige platen en in die zin komt er deze keer meer kunst bij kijken door zijn muzikale reis door het verleden, heden en toekomst van de blues."Full Circle" is gewoon een hommage van Walter Trout and Friends aan allen die de blues gespeeld hebben tot een van de puurste muziekstijlen die er maar is, en liefhebbers van dit genre kunnen deze plaat dan ook blind aanschaffen.

Tracklist
1. She Takes More Than She Gives (featuring John Mayall)
2. Working Overtime (featuring Jeff Healey)
3. Firehouse Mama (featuring Eric Sardinas)
4. Who's Listenin' In (featuring Coco Montoya)
5. Slap Happy (featuring Junior Watson)
6. Wrapped Around Your Finger (featuring Guitar Shorty)
7. A Busy Man (featuring James Harman)

8. Highway Song (featuring John Mayall)
9. When Will It Ever Change (featuring Bernard Allison)
10. Can't Help Falling Apart (featuring Finis Tasby)
11. After Hours (featuring Deacon Jones)
12. Clouds On The Horizon (featuring Joe Bonamassa)
13. Full Circle (as told by Larry Keene)


.