MARTY STUART
JAMES TALLEY
JOE BONAMASSA
HANS THEESSINK
TIFT MERRITT
OTIS TAYLOR
BROCK ZEMAN
CHRIS WHITLEY
SUSAN TEDESCHI
DARDEN SMITH

 

MARTY STUART AND THE FABULOUS SUPERLATIVES

LIVE AT THE RYMAN
BADLANDS
SOULS' CHAPEL


Website: www.martystuart.net
Lalel :Superlatone / Universal South
www.universalsouthrecords.com

 

Die Marty Stuart zet de recensenten verdorie wel aan het werk zeg! Zo langzamerhand is Marty Stuart met recht zo'n artiest geworden waar muziekliefhebbers allemaal best een serieuze vorm van respect voor mogen opbrengen. Of je de muziek van de man nu kan 'diggen' of niet, het is op z'n minst lovenswaardig dat deze Amerikaan zo gigantisch veel materiaal uitbrengt. En dat 't kwalitatief ook nog eens iedere keer de middenmoot overstijgt, is hierbij een essentiële aanvulling. Op z'n nieuwe album "Live at The Ryman", dweept Stuart met heerlijke, rustieke minimalistische, levendige bluegrass. Werd Stuart bij de vorige twee cd's die hij vorig jaar uitbracht vergezeld door Kenny Vaughan (gitaar), Josh Graves (dobro), Charlie Cushman (banjo), Stuart Duncan (fiddle), Brian Glenn (akoestische bas) en Harry Stinson (drums) oftewel The Fabulous Superlatives, ook voor deze oudere live-opnamen uit 2003 waren ze natuurlijk van de party. Maar dan verder met deze zoveelste Stuart-recensie. Probleem blijft bij een dergelijke muzikale duizendpoot, wat valt er in vredesnaam nog over hem te schrijven? ... Juist ja ... verder met die muziek dan maar. Op het album "Live at The Ryman" wordt de luisteraar eerst even voorgesteld door Eddie Stubbs aan Marty Stuart en dan trapt dit album af met "Orange Blossom Special", en wordt deze luisteraar zeker niet op het verkeerde been gezet, dit is een onvervalste bluegrassplaat. Dus denk niet: ik ga die cd even lekker in de auto opzetten. Want dan kom je na luttele minuten bedrogen uit. Dit is een zogenaamde luisterplaat; die moet je ondergaan. Liefst met koptelefoon op. Even wat juweeltjes aanwijzen? "No Hard Time Blues", "Chuckin’ The Corn", tot het afsluitende "Hillbilly Rock" is dit genieten. Het plan dat Marty Stuart had om in één half jaar drie albums uit te gaan brengen werd met de nodige scepsis ontvangen. Het zou commerciële zelfmoord zijn en zowel de platenmaatschappij als de journalisten, die hun messen reeds geslepen hadden, wisten zeker dat zelfs veelschrijver Stuart dit niet waar kon maken. Je kon ze in gedachte de recensies al horen schijven: ‘had ie maar één plaat met de beste nummers uitgebracht etc…’Wat zullen ze op hun neus kijken als ze "Live at The Ryman" voor het eerst helemaal afgeluisterd hebben. Want was "Soul’s Chapel" niet enkel Stuarts eerste gospelalbum, hij groeide op met deze muziek in Mississippi, volgde reeds twee maanden later "Badlands", een aan de cultuur van de Sioux-indianen gewijde conceptplaat. Op jonge leeftijd speelde Stuart enkele jaren in de band van Cash en maakte toen kennis met de Oglala Sioux in de Badlands van South Dakota. Reden genoeg om over deze intense kennismaking een album te maken, de indianen waar hij steeds een speciale band mee had. "Soul’s Chapel" was misschien nog een voorzichtige rehabilitatie en vooral bedoeld om zichzelf als muzikant te hervinden, deze plaat kreeg verrassend goede kritieken en vond zijn weg naar de consument gestaag. "Badlands" was een logisch vervolg, iets traditioneler, maar dankzij zijn band The Fabulous Superlatives met een herkenbaar geluid en songs over zijn jonge jaren. Heel anders is het gesteld met het briljante "Live at The Ryman". In samenwerking met Harry Stinson als producersduo, zijn dit veertien songs, de meest intense en ingetogen die Stuart ooit vast legde. Hier heeft hij een band om zich heen verzameld die dezelfde aandacht lijkt te hebben voor die toon, voor de klank van hun instrument. Er wordt hier met zoveel liefde gemusiceerd dat er iets magisch gebeurt. Het overstijgt de technische perfectie, mede door de ingetogen manier van zingen, en raakt je diep. En dan heb ik het niet zozeer over de teksten, maar vooral over de instrumentale kant van hun muziek, dat betekent dat de mannen niet alleen technisch prima met hun instrumenten uit de voeten kunnen, maar dat ze ook goed naar elkaar luisteren en regelmatig verrassende dingen laten horen. Wie had verwacht dat de laatste van de drie misschien wel zijn beste plaat ooit zou zijn, haalt op "Live at The Ryman" zijn gelijk, het speelplezier spat er vanaf, en dan te bedenken dat het combo vooraf slechts negentig minuten had geoefend. Hier kunnen we minstens een heel jaar op teren. Kortweg : Marty Stuart and The Fabulous Superlatives weten ons te verrassen met deze trilogie, die geen muziekliefhebber onberoerd zal laten. Prachtig, prachtig, prachtig!

 


 

JAMES TALLEY


Got No Bread, No Milk, No Money, but We Sure Got a Lot of Love: 30th Anniversary Edition (1975/2005)
Journey (2004)
Touchstones (2002)
Nashville City Blues (2000)


Website: www.jamestalley.com
Label : Cimarron Records.com
www.cimarronrecords.com
www.amazon.com

"A hymn for the American ages" (Jerome Clark)


Als ik heel eerlijk ben moet ik bekennen dat ik de uit Oklahoma afkomstige meester-singer-songwriter James Talley, die al 37 jaar in het vak zit, al een beetje had opgegeven. Ik dacht dat hij met "Nashville City Blues" uit 2000 en "Touchstones" uit 2002 zijn definitieve meesterwerken had gemaakt. In de inmiddels verstreken jaren sinds dat laatste juweeltje heeft Talley nog wel het een en ander uitgebracht, maar zo goed als op die twee albums werd het eerlijk gezegd toch niet. Bovendien zat er bijna geen nieuw werk bij. Op "Journey" uit 2004 werden opnamen gemaakt van zijn korte tour door Italië in 2002. Maar buiten zijn oud materiaal die zijn carrière tot dusverre opleverde zijn er slechts vijf nieuwe songs op deze plaat te bespeuren. Toch is dit album een prima voorbeeld van wat deze man in zijn mars heeft. Zeer sterke liedjes, en ook nog eens prima uitgevoerd met een kleine band bestaande uit Dave Pormeroy (bas), Mike Noble (gitaar) en Greg Thomas (drums). Alleen is het allemaal wat te gelijkmatig, waardoor je na een paar nummers ontdekt dat je niet meer zit te luisteren. Dat zegt niets over de kwaliteit, maar wel over een andere eigenaardigheid van dit soort liedjes, het zijn echt liedjes die op zichzelf staan, en lijken daardoor niet heel erg geschikt voor een album vol, laat staan een live plaat. Maar als je van goede songs houdt zijn er op elke cd van Talley wel meer dan een paar juweeltjes te vinden zoals hier: zijn klassieker "Up From Georgia", het country getinte "W. Lee O’Daniel And The Light Crust Dough Boys", het bluesy "Bluesman", en de meer folky songs "La Rosa Montana", "Somewhere On The Edge Of The World" en "I Saw The Buildings".


De herrijzenis van de een topper.

Werden we sinds het jaar 2000 al blij verrast met drie sfeervolle albums van songschrijverslegende James Talley, nu is er plots een heel nieuw dubbel-cd van deze sympathieke troubadour. "Got No Bread, No Milk, No Money, but We Sure Got a Lot of Love" uit 1975 (Capitol Records) was toe aan een '30th Anniversary Edition', en daar zijn we zeer gelukkig mee. Want deze nieuwe versie bevat: dertien nostalgische countryliedjes, een bonus-cd met daarop een interview van bijna een uur en een booklet met alle liedjesteksten en wat foto’s uit de oude doos. Onmiskenbaar vanaf de eerste tonen op deze plaat horen we James Talley in optima forma. De liedjes zijn ijzersterk, melancholiek en vooral sentimenteel. De arrangementen zijn akoestisch en zijn teksten over de gewone mensen zorgen ervoor dat u van het ene pure genietmoment in het andere glijdt. En het is ook weer zo'n plaat die steeds beter lijkt te worden bij elke draaibeurt. James Talley is gewoon een singer/songwriter die folkmuziek mooi maakt, beschaafd en gearrangeerd doet klinken. Daardoor hoor je pas na een aantal keren luisteren hoe goed hij eigenlijk is. Collega-muzikanten waren daar al langer van overtuigd, want wijlen Johnny Cash, Alan Jackson, Gene Clark en Johnny Paycheck namen in het verleden enkele nummers van Talley op. James Talley schrijft teksten die gaan over dagelijkse zaken, maar hij weet er toch een universele draai aan te geven terwijl de liedjes tegelijkertijd licht blijven, en je regelmatig moet glimlachen, maar ook aangrijpende liedjes zoals "Calico Gypsy", "Give Him Another Bottle" en "Take Me to the Country". Maar het zijn niet alleen de teksten die indruk maken, het is ook de muziek, die wat betreft diepgang en ingenieuze aanpak perfect bij de teksten past. Als het niet zo oubollig klonk zouden we hem een moderne dichter/troubadour noemen. "Got No Bread, No Milk, No Money, but We Sure Got a Lot of Love" is gewoon een prachtige heruitgave, die het gedateerde geluid van de countrymuziek anno jaren zeventig laten horen.

 


JOE BONAMASSA

De Amerikaanse Blues gitarist Joe Bonamassa is één van de beste rock-acts van dit moment. Typerend voor Joe Bonamassa is de manier waarop hij Blues, Rock en Country laat samensmelten. Op het moment is deze gitaarvirtuoos een zeer gevraagde act in de Amerikaanse bluesrock scène. Hij is door Guitarplayer uitgeroepen tot een van de tien meest veelbelovende jonge gitaristen. 'Smoking' Joe Bonamassa had op zijn vierde levensjaar de eerste blueslicks al onder de knie en klonk vanaf z’n achtste als een doorgewinterde bluesveteraan. Hij was nog geen twaalf toen hij opende voor B.B. King, die diep onder de indruk raakte en hem een legendarische toekomst in het vooruitzicht stelde. Door de jaren heen deelde Bonamassa het podium met Buddy Guy, John Lee Hooker, Danny Gatton, Robert Cray, Albert Collins, Stephen Stills en Robben Ford. Internationale erkenning kwam via de smeuïge funky bluesrock van Bloodline. Deze band bestond uit Berry Oakley Jr.(zoon van de legendarische Allman Brothers bassist), Waylon Krieger (van Doors gitarist Robby Krieger) en Erin Davis (de drummende oogappel van Miles Davis). Na een paar jaar ontgroeide Bonamassa Bloodline. Hij nam zanglessen en debuteerde in 2000 met zijn soloplaat "A New Day Yesterday". Klassieke blues in een poppy productie, waar Bonamassa patent op heeft: soulful, smaakvol en technisch uitmuntend gespeeld. Met gastrollen van niet de minste op deze aarde: Gregg Allman, Rick Derringer en Leslie West. Na maanden touren nam Bonamassa zijn tweede solo cd op met Clif Magness achter de knoppen (bekend van Avril Lavigne): "So, it’s like that" en stond wekenlang op nummer 1 in de Billboard Blues Chart. In 2003, Het Jaar Van De Blues, brengt Bonamassa "Blues DeLuxe" uit, een plaat met 9 klassieke bluescovers en 3 eigen songs. Precies wat de fans willen horen. In 2004 besluit het Nederlandse label Provogue al die albums alsnog in Nederland uit te brengen. Bonamassa slaat in als een bom en tot zijn niet geringe verbazing is op de eerstvolgende tour door Holland alles uitverkocht en staan er echt fans voor de hekken. Bonamassa is nu klaar voor de volgende stap, de stap naar de sterrenstatus.

www.jbonamassa.com

Label : Provogue Records / Mascot Records

HAD TO CRY TODAY (2004)

Joe Bonamassa zijn drang om bluesmuziek over te brengen stilt deze New Yorker als muziekdocent, maar gelukkig ook als artiest. "Had To Cry Today" zijn vijfde soloplaat, laat invloeden horen van Stevie Ray Vaughan, Duke Robillard en Eric Clapton. De kracht en verrassing van dit album zit in de afwisseling van ballads en scheurdeunen, dobro en stevige elektrische bluesriffs. "Had To Cry Today" borduurt succesvol voort op "Blues DeLuxe" uit 2003. Snelle en ruige nummers wisselen af met langzamer nummers en een enkele acoustische track. Bij de opener "Never make Your Move Too Soon" horen we niet enkel Bonamassa met een fantastische gitaarsolo maar ook het toetsenwerk van Benny Harrison op de Hammond B3 is zeer adembenemend. Ook de boogiesound op "Travelin' South" en de ingetogen slowblues op "Reconsider Baby" zijn best te pruimen, op dit laatste nummer zijn wel duidelijk de invloeden van Stevie Ray Vaughan hoorbaar. Country invloeden vinden we zelfs terug in "Revenge Of The 10 Gallon Hat". "When She Dances" is dan weer een romantisch getint nummer. Liefhebbers van gitaarblues komen zeker aan hun trekken in "The River" en "When the sun Goes Down", nummers waain ook mondharmonikaspeler Jon Paris op zijn best is. Het album wordt afgesloten met een zeer snelle "Faux Mantini", een nummer met Spaanse flamenco invloeden, dat me deed denken aan Michael Lee Firkins. Kortweg : houdt u van de blues, dan is Bonamassa een absolute aanrader. Oude blues, nieuwe blues, Amerikaanse blues, Britse blues, Bonamassa geeft er een eigenzinnige, vaardige draai aan en rockt op de achttien voor dit album gebruikte gitaren alsof hij het allemaal zelf heeft uitgevonden.

A NEW DAY YESTERDAY
LIVE (2005)

Het recept voor een nieuwe blues-rock gitaarheld Joe Bonamassa : neem alleen de beste ingredienten van gitaarhelden voor je, roer er vooral veel eigen smaak doorheen en begin er heel vroeg mee! Voormalig blueswonderkind Bonamassa heeft al een lange geschiedenis achter de rug van spelen met beroemdheden en op zijn live-cd "A New Day Yesterday" staan bassist Eric Czar en drummer Kenny Kramme hem terzijde."A New Day Yesterday" is een weergave van een concert uit 2001 dat Joe gaf tijdens de toer ter gelegenheid van zijn debuutalbum. De band is positively smokin’, zoals dat in blueskringen heet, en knalt er prima tegenaan. Bonamassa doet bij tijd en wijle denken aan zijn grote voorbeeld Stevie Ray Vaughan, vooral in zijn gitaarspel en de rauwe energie die van de planken spat. Daarbij kan hij beter zingen dan Stevie zodat het prima headbangen is bij Joe’s eigen songs en de covers. Luister maar eens naar "Steppin Out/Rice Pudding" of de titeltrack "A New Day Yesterday", een cover van Jethro Tull, en beweer dan maar ’s met een stalen gezicht dat je niet voor burengerucht hebt gezorgd … dit speel je hard or not at all! Uiteraard wordt hij veel vergeleken met Stevie Ray Vaughan, dat heeft minder te maken met de SRV-licks en akkoorden die hij door zijn solo's smeert, dan met de eigen draai die hij aan de blues geeft. Weg met die blues-clichés en standaardlicks! Het zijn de echte sterren die de vrijheid van de twaalf maten van een bluesschema gebruiken om alle grenzen van het spectrum te verkennen. Met zijn vorige albums heeft hij al naam gemaakt, en met zijn laatste studioalbum, "Had to Cry Today", zal de naam en faam alleen maar groter maken. Het gitaargeluid van de New Yorker is vet, lenig en appetijtelijk en samen met Eric Czar, een heerlijke (a-typische blues) bassist die ook al op zijn twaalfde professioneel speelde en met drummer Kenny Kramme is dit een zeer op elkaar ingespeelde driemansband die echt fantastisch op elkaars noten en roffels anticipeert.


YOU & ME (2006)


De stap naar de sterrenstatus schreef ik mijn inleiding! Zijn nieuw album "You And Me" is daar zeker een aanzet toe. Wat dadelijk opvalt is: nieuwe band, nieuwe producer... nieuw geluid! Ja want deze plaat is breder en voller geproduceerd en Bonamassa mag voluit excelleren op zijn gitaar, hetgeen hij ook doet. Zijn nieuwe bandleden sturen Joe namelijk meer de rockkant op, vooral in de drie eerste nummers. Maar eens je nog wat meer van "You & Me" hebt geproefd zul je automatisch verslaafd zijn aan Joe Bonamassa. "You & Me" is ondertussen zijn zesde studio album en zonder twijfel zijn absoluut sterkste tot op heden. Met de hulp van producer Kevin Shirley (oa Led Zeppelin, Black Crowes, Aerosmith, Dream Theater) en de zoon van John ‘Bonzo’ Bonham, Jason, op drums, bassist Carmine Rojas (Stevie Wonder, Rod Stewart en David Bowie) en toetsenist Rick Melick is het nieuwe album een verzameling van elf ongelooflijk knappe nummers geworden. De mengeling van eigen materiaal en goed uitgekozen covers, zowel elektrisch als akoestisch met een gezonde dosis slide er bovenop behoort tot het beste wat de recente lichting blues ons te bieden heeft. Van blues ballads ("Asking Around For You"), BB King-achtige nummers ("I Don’t Believe"), hier en daar een power ballad ("Your Funeral And My Trail") en een heuse Led Zeppelin cover ("Tea For One"), overal magistraal gitaarwerk en nergens over de rand. Hoogtepunten zijn o.a. "So Many Roads", een lekker lange ouderwetse slow blues van Otis Rush waarin Joe al zijn ziel en zaligheid legt, het ingetogen "Tamp em up solid" van Ry Cooder en het kokende "Tea for One", oorspronkelijk uitgebracht op 31 maart 1976 op het album “Presence” van Led Zeppelin. Hierin klinkt Joe alsof hij in de huid van Robin Trower is gekropen. Daar zouden we meer van willen horen! Vermeldenswaardig zijn verder de tribute aan Django Reinhardt in "Django", gast Pat Thrall die even een handje komt helpen op "Bridge to better days" en het 12-jarige harmonicawonder LD Miller, die zijn opwachting maakt op "Your Funeral And My Trial", een compositie van Sonny Boy Williamson.


HANS THEESSINK
SONGS FROM THE SOUTHLAND
BRIDGES
DVD LIVE IN CONCERT :
A BLUES & ROOTS REVUE
Website : www.theessink.com

Hans Theessink, geboren in Enschede, behoort tot de meest gerespecteerde bluesmuzikanten ter wereld en daarnaast is de in Oostenrijk woonachtige Nederlander een niet onverdienstelijk songschrijver. Bo Diddley noemde hem een 'helluva guitar player'. Hij treedt tweehonderd keer per jaar op en gaf 'acte de presence' op alle belangrijke bluesfestivals. Tot op de dag van vandaag zijn er 15 albums uitgekomen, waarbij Hans steeds een beroep kon doen op de groten uit de muziekbranche. Zo was daar het album “Call me” in 1991, met medewerking van Colin Linden, Maceo Parker, Bobby King, Pee Wee Ellis, Rick Danko en Terry Evans. Theessink is een echte wereldburger en in het land van herkomst van zijn muziek, de countryblues, Amerika, boekt hij nog steeds grote successen. Jaarlijks doet Hans ruim 200 optredens verspreid over de hele wereld. Theessink is een snaren- en gitarenfreak en heeft door zijn samenwerking met vele grootheden uit de songwereld een grote dosis muziekkennis opgedaan. In het Nederlandse magazine gitaarnet (www.gitaarnet.nl) zegt hij het volgende : "Ik ben een gitaren- en snarenfreak en bezit allerlei snareninstrumenten: gitaren, banjos, mandolines, violen etc.e tc. Echt een lievelingsgitaar heb ik niet. Als ik met de auto tour (en dus veel mee kan nemen) heb ik meestal 4-5 instrumenten bij me: twee 6-snarige acoustics, één 12-snarige acoustic, een elektrische mandoline en een national resonator. Als ik met het vliegtuig ga is er meestal hooguit plaats voor 2 gitaren. Mijn gitaar van keus is dan in ieder geval een Gibson J-50 uit de zestiger jaren die ik ooit eens voor een krats in Houston heb gekocht - dit is een hele solide allround gitaar waarop ik met plectrum, slide, en fingerpicking alles spelen kan. Aan deze gitaarben ik gehecht en ik zou ze niet graag willen missen."


De muziek van Hans Theessink is moeilijk te categoriseren. Als je zegt dat het blues is heb je voor een klein deel gelijk, want zijn muziek heeft duidelijk zijn wortels in de blues. Je kunt het folkblues noemen, of worldblues, en dan kom je al wat dichter in de buurt. Theessink moet het niet hebben van volume of ruigheid. Zijn muziek maakt een zeer ontspannen indruk, maar als je "Songs From The Southland"(2003) en Bridges (2004) zijn twee laatste cd's draait, merk je dat je toch steeds op het puntje van je stoel zit te luisteren, omdat de muziek weliswaar relaxed overkomt, maar ondertussen ook ongehoord spannend is.

SONGS FROM THE SOUTHLAND (2003)


Theessink leerde zichzelf in de jaren zestig gitaarspelen, naar aanleiding van een radioprogramma waarin hij Big Bill Broonzy en Leadbelly hoorde en met dit album "Songs from the Southland" keert Hans Theessink terug naar deze bronnen en andere countrybluesgrootheden die hem op 15-jarige leeftijd inspireerden, en dat hoorbaar nog steeds doen. Met zijn subtiele fingerpicking afgewisseld met virtuoos slidespel volgt hij al jaren het pad van de traditie en doet dat steeds intenser. Daarbuiten bezit Theessink een lage zangstem, die zich laat vergelijken met mensen als Tony Joe White en J.J.Cale. In 2002 verscheen het tribute album aan de banjospeler Derroll Adams dat hij met Arlo Guthrie samenstelde, een album dat een flinke indruk maakte vooral in Belgenland. Met de nieuwe plaat "Songs From The Southland" grijpt Theessink volledig terug op zijn bronnen: de blues, country en folk. Het inspireerde hem tot eigen bewerkingen van uiteraard Broonzy, Leadbelly en andere bluesgrootheden, maar ook Hank Williams en John Fogerty krijgen een gloedvolle bewerking. Sommige nummers lijken op het eerste gehoor rustig door te kabbelen, maar juist doordat iedereen zeer gespitst zit te spelen blijft de boog het hele nummer lang precies goed gespannen. Het openingslied “St. James’ Infirmary” staat borg voor de kwaliteit van dit album en de interpretatie van Hans Theessink. Hij weet de luisteraar aanstonds te bekoren en voert hem mee naar zijn liedjes of beter meesterwerkje. De muziek van Theessink is veelzijdig en heeft verschillende raakpunten. Soms ontdekt men de echte blues om dan af te zakken bij chansongetinte song met country- en roots karakter. Ook de gospel is in zijn muziek terug te vinden luister maar naar “A hundred and ten in the Shade”. De instrumentatie is zo kaal mogelijk gehouden en ontdaan van iedere opsmuk wordt het maximale effect bereikt. Hij laat zich hierin bijstaan door enkele gasten: Jon Sas (tuba) en Danny Thompson (bas). Vocale ondersteuning wordt gebracht door Linda Tillery en haar “Cultural Heritage Choir”. Allen dragen ze bij aan de intieme sfeer van deze cd want er wordt zeer goed naar elkaar geluisterd en zeer inventief en subtiel samengespeeld. Met "Songs From The Southland" is Hans Theessink rijper en doorleefder dan ooit en maakt andermaal diepe indruk. Hij kreeg zeer verdienstelijk in Oostenrijk voor dit album de Amadeus Music Award in de categorie jazz/folk/blues.

BRIDGES (2004)


Voor zijn laatste album toog Hans Theessink naar een Toscaanse kerk, zoekend naar een natuurlijk geluid. Dat heeft hij altijd al gecreëerd, maar deze SACD klinkt ook op twee boxen opvallend natuurlijk en warm. Dat komt mede doordat de nummers live werden opgenomen, op de later ingedubde achtergrondzang na. De nieuwe plaat van Theessink en zijn band heet heel toepasselijk "Bridges". De plaat is opgebouwd uit songs die draaien rond het thema van bruggen. Belangrijker nog is dat Theessink met zijn muziek bruggen slaat. Op zijn nieuwe album slaagt hij er schijnbaar achteloos in bruggen te slaan tussen blues, folk en Afrikaanse muziek. Voor het opnemen van zijn nieuwe plaat hebben Theessink en zijn medemuzikanten twee weken lang huis gehouden in Toscane. Muzikaal mag deze plaat dan gedomineerd worden door de blues, de stemming is er een van rust en vrede. De muziek van Theessink voert de luisteraar nu eenmaal niet door diepe dalen en over hoge bergen. Liever leidt hij ons bij de hand op een muzikale reis die langs verschillende gebieden in de wereld voert. Daarbij is hij niet eenkennig: countryblues, gospel, folk, shuffles, reggae en Afrikaanse harmonieën gaan op in een vanzelfsprekend geheel. Dat komt door zijn sterke, geïnspireerde melodieën en door het wezenlijke aandeel van zijn bandleden in het intieme, maar rijke totaalgeluid. Sommige songs zijn geworteld in de folkblues en doen denken aan de vroege platen van Ry Cooder. Andere zijn kalme, melodieuze liedjes met Afrikaanse accenten. Hiervan maken de titelsong "Bridges", "Zambezi" en "Moses" de meeste indruk. Theessink laat zich hier vocaal bijstaan door het uit Zimbabwe afkomstige Insingizi. Dat trio zingt ook op vele nummers mee, en geeft de plaat, een behoorlijke meerwaarde. Theessink excelleert op een onnadrukkelijke manier op verschillende snaarinstrumenten, terwijl ook zijn medemuzikanten met grote vaardigheid musiceren. "Bridges" bevat veel songs van de hand van Theessink zelf. Mooie liedjes, die een paar bijzondere covers omgeven: een wonderschone, ingetogen vertolking van "People Get Ready" van Curtis Mayfield en het opgewekte "Mbube" van Solomon Linda. Dat laatste nummer kennen we vooral als Wimoweh, of The Lion Sleeps Tonight, maar hier wordt het nummer heel mooi teruggebracht naar waar het vandaan komt. Zijn band op Bridges is internationaal samengesteld: Erich Buchebner op bas, Harry Stampfer op drums en percussie, Roland Guggenbichler op piano's en Hammond B3 orgel en accordion, Insingizi achtergrondzang, leadzang op "Mbube", en Linda Tillery en The Cultural Heritage Choir achtergrondzang op "What Will the Children Play". Dat alles maakt dit album in meer dan één opzicht wereldmuziek op haar best.


DVD LIVE IN CONCERT,
A BLUES & ROOTS REVUE

Dit is een juweeltje van een dvd! Op deze dvd 9 (dubbel-laags, dus dubbele speelduur) staan een volledig concert van 95 minuten van Hans Theessink met zijn nieuwe band plus een hele serie extra’s: ‘The making of’, een uitgebreid interview (in 4 talen te beluisteren, w.o. Nederlands!), videoclips en nog veel meer. Totale duur van de extra’s: 60 minuten. Geluid: Dolby 5.1, digital surround, beeld 4:3, geen ondertiteling maar nasynchronisatie in 4 talen (Engels, Duits, Nederlands en Deens), PAL. Totale speelduur: 170 min.


TIFT MERRITT

 



 

 

 

 

 

 

 

 



TIFT MERRITT
BRAMBLE ROSE
TAMBOURINE
Website: www.tiftmerritt.com
Label : Lost Highways

 

 

 

 

 




Tift Merritt was reeds aanwezig op de derde editie van Blue Highways in het Utrechtse Vredenburg en maakte heel veel indruk. Op onze speurtocht naar recensies in de media zijn we er drie tegengekomen, in de Volkskrant, De Limburger en Oor. Over een aspect waren de recensenten het eens: Tift Merritt was gewoon adembenemend. Reden genoeg om Merritt dit jaar terug op de affiche te plaatsen.

 

 

Naast Kathleen Edwards behoort ook Tift Merrit tot een nieuwe generatie vrouwelijke singer-songwriters die zich de afgelopen jaren heeft aangediend. Dames met superbe talenten, getuige hun recente werk dat ijzersterke tunes en teksten bevat. Dat Tift Merrit zich op de muziekscène heeft gericht danken we vooral aan Joni Mitchell en Emmylou Harris. Artiesten door wie ze erg geïnspireerd is en die haar min of meer ook in de richting van het roots- en alt.countrygenre hebben gestuurd. Aanvankelijk begonnen in een band (Two Dollar Pistols) heeft ze zich vanaf 2002 gericht op eigen werk. Haar debuut "Bramble Rose" (2002) kent een mooi gepolijste insteek en kreeg zeer goede kritieken. De opvolger "Tambourine" (2004) laat een wat meer rockende en rauwere Merrit horen. Iets wat me zeer goed bevalt, ook al omdat de composities in mijn ogen meer diepgang hebben. De in Texas geboren en in North Carolina woonachtige Merritt was aanvangelijk in onze Lage Landen nog volslagen onbekend, maar daar is ondertussen reeds veel verandering in gekomen. Een voorprogramma in Ryan Adams’ Heartbreaker-tour leverde Merritt diens support en een platencontract bij Lost Highway Records op, het label van onder andere Adams en Lucinda Williams. Op dit label verscheen haar droomdebuut "Bramble Rose", en werd geproduceerd door Ethan Jones (o.a. Ryan Adams) en bevat elf sterke nummers, allemaal door haarzelf geschreven. Tift Merritt maakt pure country, maar voegt hier ook eigentijdse elementen aan toe, waardoor de muziek fris klinkt. De nummers worden vooral gedragen door haar prachtige stem die soms aan Emmylou Harris en soms aan Maria McKee doet denken. Beide vrouwen zijn samen met de vroege Linda Ronstadt en Bonnie Raitt dan ook grote inspiratiebronnen. De hele plaat werd live opgenomen, ook het vocale deel, en deze spanning is voelbaar in de uitvoering van ieder nummer. De warme sfeer door het veelvuldig gebruik van akoestische instrumenten maakt van "Bramble Rose" een tijdloos album dat menig zomeravond meer dan prettig zal opluisteren.

Veel meer dan het doortrekken van de lijn van "Bramble Rose" is niet nodig om van opvolger "Tambourine" een succes te maken, maar Merritt heeft gekozen voor een andere weg en dat siert haar. Na Ethan Johns wist Merritt ook voor "Tambourine" weer een topproducer te strikken in de persoon van George Drakoulias. Drakoulias werkte met The Jayhawks, Tom Petty en The Black Crows, maar produceerde met Maria McKee’s "You Gotta Sin To Get Saved" de cd die Tift Merritt voor ogen had. Invloeden uit de country hebben op "Tambourine" flink in moeten leveren ten gunste van invloeden uit de rock en vooral de Memphis soul. Minder Emmylou Harris en meer Dusty Springfield dus. Drakoulias zorgde gewoon voor een prima productie, en in de backingband vinden we oude bekenden als de subtiele, maar toch stevige drummer Don Heffington, en de onvolprezen Neal Casal, die zelf ook al de nodige meesterwerkjes op zijn naam heeft staan, scherp op gitaar en als achtergrondzanger. Merritt schreef de meeste nummers zelf, en dat deed ze meer dan uitstekend, want na een paar keer draaien haken ze als vanzelf in je onderbewustzijn vast. "Tambourine" klinkt hierdoor anders dan "Bramble Rose", al moeten de verschillen ook niet overdreven worden. Belangrijkste overeenkomsten tussen de twee cd’s zijn: Merritt’s fantastische zang en de torenhoge kwaliteit van haar songs. Het is even wennen misschien, maar uiteindelijk weet ook "Tambourine" weer zeer te overtuigen. Tift Merritt bevestigt met "Tambourine" haar talent en doet dit op buitengewoon knappe wijze.


 

 

OTIS TAYLOR

Website : www.otistaylor.com
Label : Telarc

EEN NIEUW LABEL EN EEN NIEUW GELUID!

 

 

Otis Taylor heeft tot op heden zes albums op zijn naam staan. Niet echt veel als je weet dat de man al in het midden van de jaren '60 zijn eerste groep oprichtte. Zijn debuut "Blue Eyed Monster" kwam pas uit in 1995. Otis Taylor werd in 1948 geboren in de bluesstad Chicago, maar verhuisde al vrij gauw naar Denver. Daar werd de jonge Otis ondergedompeld in de blues en jazz. Hij leerde eerst banjo spelen (nog steeds een belangrijk instrument in zijn huidig werk), later volgen gitaar en mondharmonica. In het midden van de jaren '60 vormde Otis zijn eerste bluesgroep (The Butterscotch Fire Departement Blues Band). De daarop volgende jaren speelt de jonge muzikant in verschillende bands tot hij in '77 de muziekwereld voor bekeken hield en antiekhandelaar werd. Zijn muzikale mentor Kenny Passarelli (legendarische bassist, o.a. bekend van Elton John) overhaalde Otis echter om terug live te gaan spelen en zijn muziek uit te brengen. Op korte tijd groeide hij uit tot een van de boeiendste Amerikaanse bluesmen. Hij heeft nochtans geen spijt over zijn lange retraite en hij heeft zeker niet het gevoel tijd te hebben verloren.

Op zijn debuutalbum "Truth is Not Fiction" (2003) voor het Telarc label is duidelijk te horen dat Taylor veel rijper is geworden dan een kwarteeuw geleden en dat hij nu veel betere songs kan schrijven, vaak met een sociale ondertoon. Hij schrijft liedjes en daarmee basta. Hij wil geen bepaalde boodschap overbrengen. Een onderwerp dat hij vaak behandelt, is de positie van de zwarten in de Verenigde Staten. Zoals bekend zijn die als slaven vanuit Afrika naar Amerika gebracht en heeft het een paar eeuwen geduurd vooraleer die slavernij was verdwenen. Hij is geen politicus of historicus, maar je kan er niet onderuit dat hij in zijn songs haarscherp het verleden analyseert en sociale mistoestanden duidt. En zelfs als hij meer persoonlijk nummers schrijft, zijn ze gebaseerd op waar gebeurde feiten. Feit is wel dat de overstap van Northern blues naar Telarc klinkt de begeleiding elektrischer en alweer voller, nog steeds is de productie in handen van Kenny Passarelli. Uitschieters zijn de sober gebrachte opener "Rosa, Rosa", en op dit album treedt ook, voor het eerst, dochter Cassie Taylor uit de schaduw van haar vader in het verrukkelijke "House of The Crosses", een nummer dat tevens voorzien is van een prachtige cello van Ben Sollee. Daarentegen is het veel harder gepeelde "Native American Sounds" ook zeer mooi.

Het thema op zijn album "Double V" (2004) zijn de zwarte vrijheidsbewegingen in Amerika, na de tweede wereld oorlog, die vochten om het recht om te stemmen. De muziek is duister, intens en doorleefd. Vaak extreem sober, soms in één enkel akkoord. 'Trance blues' is de noemer. Het werkt buitengewoon effectief. "Double V" is de vijfde CD die Taylor in zeer korte tijd op de markt brengt waar de drums weer ontbreken, waardoor veel ruimte ontstaat, die slechts minimaal ingevuld wordt, met op een aantal nummers een grote rol voor de cello van Ben Sollee. De blues van Taylor wordt door deze kruisbestuiving toegankelijk voor liefhebbers van de betere popmuziek.Taylor wordt daarom wel vergeleken met iemand als Ben Harper. De opnamen klinken fantastisch en Taylor heeft een krachtige, ruw maar soepele stem. Hij weet zijn boodschap in verhaaltjes sterk over te brengen, en de kale, opmerkelijke instrumentaties, met ongebruikelijke instrumenten als de cello's (er zijn er maar vier!), dragen sterk bij aan de kracht van dit werk.Taylor is volgens mij ook een van de weinige bluesmannen die het aandurft af te wijken van de gebaande bluesmuziek paden. Hoewel "Double V" nog intiemer klinkt als zijn voorganger weet Taylor wederom simpele grooves te omlijsten met messcherpe onderbouwde korte teksten. Ook vinden we hier dochter Cassie terug in de verrukkelijke afsluiter "Buy Myself Some Freedom". Intens gloeiende liedjes zijn "Mandan Woman" en "Mama's Selling Heroin". Hoogtepunten zijn vooral "Reindeer Meat" en het instrumentale "Sounds of Attica".

Op de derde Telarc cd kan hij niet meer op steun rekenen van bassist Kenny Passarelli en gitarist Eddie Turner, de vraag is dan wel ommiddelijk: Na zijn voorafgaande CD’s, die stuk voor stuk integere werkstukjes zijn, doet Otis afbreuk aan zijn reputatie? Dat zou dan ook wel zeer extreem zijn, hetgeen bij een eerste beluistering allerminst het geval blijkt te zijn. Maar nu naar zijn nieuwe cd "Below The Fold" meermalen te hebben beluisterd, ben ik er nog steeds niet uit. Hij leent zich gewoon niet voor een bepaald stempel (al bevind er rechts onder op de cover een stempel "Certified Trance Blues"). Zijn album blijft dusdanig verrassen dat je aan het eind niet meer weet wat je allemaal hebt gehoord. Dus begin je gewoon opnieuw. En opnieuw. Otis Taylor is een original, die bij elke song een nieuw wiel uitvindt. Hij gaat namelijk altijd weer van zichzelf en zijn eigen mogelijkheden uit. Deze vrije geest is onvoorspelbaar, hypnotiserend en vernieuwend. Maar altijd is hij zichzelf. Gebruikmakend van minder voor de hand liggende ritmes, structuren en klankkleuren, zo gebruikt hij elektrische mandolines en banjo's, en is de cello van Ben Sollee weer van de party, en weet daardoor een totaal nieuw bluesidioom te creëren. Steeds weer klinken zijn songs ongelooflijk hypnotiserend, je komt gewoon niet weg uit de hypnose, songs waar regelmatig een elektrische gitaar of de viool van Rayna Gellert voor de al dan niet bliksemende solo’s zorgen. Zijn teksten zijn zeer direct, en grijpen terug op de recente geschiedenis van de Afro-Amerikaan, en daardoor dus ook vaak diep persoonlijk. Hij blijft dus duidelijk nog steeds politiek en sociaal kritische songs schrijven. Voor de hoogtepunten is het bij het beluisteren even wachten, want de vier laatste nummers zijn gewoon aangrijpend, ingetogen en dan weer hartverscheurend mooi. Beginnend met het hevig gitaar gedragen "Didn’t Know Much About Education", het heerlijke akoestische "Went to Hermes", het trager ingetogen "Government Lied" en het afsluitende "Right Side Of Heaven" met een mooie inbreng van Ron Miles aan de trompet naast Taylor's vertrouwde harpspel. Otis Taylor is volgens sommige critici immers één van de belangrijkste hedendaagse bluesartiesten, hetgeen ik voluit moet beamen. Ik heb altijd bewondering gehad voor artiesten die onder alle omstandigheden zichzelf blijven. Otis Taylor is er één van.


 



 

 

 



 

 

BROCK ZEMAN

 

 

BROCK ZEMAN & THE DIRTY HANDS
SONGS FROM THE MUD
COLD WINTER COMES BACK
Website: www.brockzeman.com
Label : Audio Valley Records
www.cdbaby.com/cd/brockzeman
www.cdbaby.com/cd/brockzeman2




Brock Zeman was een van de grote verrassingen van de laatste tijd. De verwachtingen waren dan ook zeer hoog toen we hoorden dat hij begin dit jaar een nieuwe cd zou releasen. De losheid en lichtheid van zijn vorige albums "Cold Winter Comes Back" (2003) en "Songs From The Mud" (2005) zijn wat verdwenen op zijn nieuwste "Brock Zeman & The Dirty Hands", maar daar is wat anders voor in de plaats gekomen. In de eerste plaats speelt Zeman fantastisch akoestische gitaar, en dat is nooit zo duidelijk geweest als op de vorige platen. In de tweede plaats is en blijft hij een meer dan voortreffelijk zanger, en in de derde plaats schrijft hij geweldige liedjes die ik ongemerkt de hele dag door loop te zingen en te fluiten. Als je deze cd draait heb je overigens helemaal niet het gevoel dat je een plaat draait van een singer/songwriter van amper vierentwintig jaar. Het doet veel meer denken aan het werk van John Prine, Townes Van Zandt en Guy Clark, artiesten die veel indruk op hem maakte en hem aanzette om in zijn middelbare schooltijd reeds mooie liedjes te schrijven. Deze jonge singer-songwriter, uit het Canadese Ontario, heeft bovendien een onmiskenbaar eigen geluid, en zeer, zeer sterke liedjes. Liedjes waar andere songwriters waarschijnlijk jaloers naar zullen luisteren. Zijn eigen dertien songs op "Songs From The Mud" zijn reeds een perfect staaltje van waar de man op tekstueel gebied toe in staat is. Zeker zo sterk als de enige cover op dit album, "Dark As A Dungeon" van Merle Travis. Het nummer is in deze uitvoering nog beter geworden dan het al was. Brock Zeman heeft met "Songs From The Mud" een album gemaakt dat scherp is, en dat tegelijkertijd ontspannen klinkt. Bovendien kan ik na tien keer draaien constateren dat de muziek nog steeds beter wordt, en dat de cd eigenlijk behoorlijk verslavend is, je blijft hem draaien en geniet eigenlijk steeds meer.
Maar nu, anno 2006, heeft Brock Zeman op zijn derde cd "Brock Zeman & The Dirty Hands" volledig zijn draai gevonden, en dat levert dan ook een juweel van een album op. Zijn vorige, was ook al meer dan prachtig, maar hier lik je echt je vingers bij af. Collega's hebben waarschijnlijk zijn liedjes al lang geleden ontdekt, maar het grote publiek laat het nog steeds afweten. Jammer, want dit pareltje is te mooi om ongemerkt aan je voorbij te laten gaan. Zeman had voor deze cd nog liedjes in petto, songs uit de periode van zijn eerste album, die ook niet werden gebruikt voor de tweede cd daar ze niet echt pasten met het gevolgde thema, maar gelukkig staan ze nu op deze prachtplaat waarvan de invloeden nog steeds te vinden zijn in de alt-country -Americana -Canadiana - muziek. Vijftien nummers op deze plaat, waaronder een erg geslaagde cover van TownesVan Zandt's "White Freight Liner". Deze cover en songs als "Sweet Charlotte", "Bones" en "Breanna Harrison" stonden al jaren op zijn playlist tijdens zijn optredens. Zeman heeft ook dit album opgedragen aan een vriend die in 2004 zich van het leven heeft beroofd, vandaar de tribute aan violist Danny O'Connell in "Danny's Song (The Fiddler's Gone Home)". En dan nu het goede nieuws: "Brock Zeman & The Dirty Hands": Onmiskenbaar vanaf de eerste tonen Zeman in optima forma. De songs zijn ijzersterk, van melancholiek tot ontzettend grappig. De arrangementen zijn deels akoestisch, er op vele tracks wordt er bij momenten ook stevig gerockt waardoor u van het ene pure genietmoment in het andere glijdt want dit voorzichtig ingebouwd rockelement zorgt voor het beruchte tikkeltje extra. De Americana van Brock Zeman en zijn band krijgt daardoor iets onweerstaanbaars over zich. Daarbij heeft Zeman precies de juiste plek gevonden, de Audio Valley Studio in Perth, Ontario, en de juiste muzikanten. Luister naar de samenstelling van zijn band, The Dirty Hands, en het water loopt je in de mond: producer Keith Glass (vocals, gitaar, bas, mandoline), Keith Sullivan (mandoline), Peter Newson (bas), Peter Bigras (drums) en Dennis Delome (pedal steel). Kenners zijn nu al lang opgeveerd, maar zo'n sublieme bezetting is natuurlijk nog geen garantie voor een goed resultaat. Ik kan je geruststellen, de magie was er wel degelijk. Iedereen speelt de sterren van de hemel en Zeman zingt met een aangenaam gruizige stem zijn prachtige liedjes met precies de juiste understatement. Jawel, zovroeg in het nieuwe jaar, is dit reeds een grote verrassing en een absolute aanrader. Zeman moet met zijn nieuwe album "Brock Zeman & The Dirty Hands" er maar eens echt mee doorbreken. Dat verdient hij nu wel, want Brock Zeman is echt een gigantisch talent! Deze man verdient een wereldwijde distributie. Hallo! distributeurs dit is werkelijk een topper!


Singer-songwriter CHRIS WHITLEY overleden

 

 

 

Texaanse singer-songwriter Chris Whitley is afgelopen zondag 20 november op 45-jarige leeftijd overleden na een strijd tegen longkanker. Whitley, geboren in Houston in 1960, liet het leven in bijzijn van zijn dochter Trixie, broer Dan en vriendin en verloofde Susanne Buerger. Broer Dan schreef op Whitley's website: "Ik hoop dat jullie rouwen om mijn broer's dood, maar veel belangrijker nog, vier zijn leven zoals hij dat ook deed. Ik begin mijn viering met het opzetten van zijn album 'Dirt Floor' uit 1998 om hem te eren, hoewel ik nog steeds huil." Whitley leefde de laatste jaren afwisselend in Dresden en New York. Hij toerde veelvuldig over de hele wereld. Hij begon zijn muzikale carrière in de blues, maar speelde later ook veel rock. Hij werkte onder anderen samen met producent Daniel Lanois, de Ierse band U2 en Peter Gabriel. Whitley verkocht niet zoveel albums (hij maakte in totaal twaalf platen), maar had een schare vaste aanhangers. Whitley heeft in de loop van de tijd een eigen Amerikaanse muziekstijl ontwikkeld, waarbij hij gebruik maakte van zowel pop, grunge, jazz als avant-garde noise. De singer-songwriter werd echter het bekendst door zijn visie op countryblues met het kenmerkende steel gitaar geluid.

 

 

 

 

 

 

 

Whitley spendeerde het grootste deel van de jaren tachtig in België, waar hij de popgroep A Noh Rodeo aanvoerde. Eenmaal terug in Amerika concentreerde Whitley zich op het atmosferische geluid van de steel gitaar. De singer-songwriter nam zijn debuut "Living With the Law" in 1991 op. Sonisch vormgegeven door het productieteam Daniel Lanois en Malcolm Burn werd niet alleen de song "Big Sky Country" een succes maar ook het album en verdiende hij de status nieuw talent. Het duurde vier jaar voordat de tweede schijf uitkwam, deels te danken aan een bezoek aan een rehabilitatiecentrum. Op "Din of Ecstasy"stond de elektrische gitaar en grunge centraal. De eveneens hard rockende plaat "Terra Incognita" werd opgevolgd door 1998's "Dirt Floor", een in één dag opgenomen solo werkje. Whitley was kennelijk niet zo geïnteresseerd in het hele grote succes, doordat hij steeds van stijl bleef veranderen. De afgelopen vijf jaar zijn er nog diverse projecten op plaat uitgekomen. In 2000 verscheen "Perfect Day", een collectie coversongs van Willie Dixon, Lou Reed, Bob Dylan en anderen, geproduceerd door Craig Street. Een jaar later lag "Rocket House" in de winkels, een experimenteel uitstapje en in 2002 zag de verzamelaar "Long Way Around: An Anthology 1991-2001" het licht. Zijn nieuwste, elfde schijf "Soft Dangerous Shores" verscheen in juli van dit jaar. Zie hier de recensie verschenen in de maand augustus op Rootstime:

 

CHRIS WHITLEY
SOFT DANGEROUS SHORES
Website :www.chriswhitley.com
Label : Cooking Vinyl


Singer-songwriter Chris Whitley brengt met "Soft Dangerous Shores" alweer zijn elfde album uit. De plaat is door de medewerking van Malcolm Burn, die Whitley’s fenomenale debuut "Living With The Law" ook produceerde, geen terugkeer naar die plaat maar wel een combinatie die werkt. Daarvoor is de cd te duister. Na de 'tussendoortjes' "War Crime Blues" en "Weed", waarop Whitley slechts met dobro te horen is, spelen bassist Heiko Schramm en drummer Matthias Macht weer mee. Het Duitse ritmeteam schittert net als op het prachtige "Hotel Vast Horizon". Opener "Fireroad (for two)" en "As Day Is Long" hebben daardoor bijna een hypnotiserende werking. In bevlogen bluesstampers, of soms spookachtige liedjes verhaalt Whitley over liefde en de dood. Thema’s die door zijn gitaarspel en stem ijzingwekkend dichtbij komen en wederom de gave van Whitley etaleert. Hij wordt met de plaat pessimistischer en dat wil wat zeggen, want hij spuwt de ene na de andere uit. Ze zijn allemaal goed, maar "Soft dangerous shores" springt er wel uit. Whitley heeft een hele tijd in België gewoond. Hij kwam er via Dirk Van de Wiele, toen een muzikant uit Gent die hem als straatmuzikant in New York had leren kennen. In 1980 was dat. Zijn ex-vrouw woont trouwens nog in Gent. En zonder Gent zou zijn muziek niet zijn wat ze nu is. Hij woont nu in Duitsland en die "City of women" op zijn nieuwe album is een Duitse stad: Dresden. Whitley is een echte nomade, die constant heen en weer reist, vooral tussen Dresden (waar zijn vriendin woont) en New York (waar hij een appartement heeft). Maar New York wordt voor hem minder en minder een thuis. En dat heeft natuurlijk met de aard van New York te maken. Maar ook het feit dat Chris Whitley erg ziek is, maakt zijn kijk zeker niet rooskleuriger. Hij is er in elk geval zo van aangedaan dat het de inspiratiebron is voor de cd. "Soft dangerous shores" staat voor New York, een stad die het thema is geworden van de hele plaat, hetgeen u heel expliciet kunt horen in het titelnummer. Wie aanvankelijk niet goed oplet, denkt pakweg Ben Harper of Los Lobos bezig te horen. Kortom sferisch zit het wel snor op deze plaat. Ook is er een leuke bijrol weggelegd voor Whitney's 17-jarige dochter Trixie, die in Belgie is opgegroeid. Zij mag op "Medecine Wheel" een stukje komen meezingen met daddy cool. "Soft dangerous shores " staat voor emotievolle rootsrock met een atmosferisch randje; het is weer indringend en wonderschoon. Een plaat die per luisterbeurt toeneemt aan intensiteit. Uiteindelijk is het kippenvel wat rest. Het twaalfde album van Whitley "Riter In'", zal midden december op vinyl uitkomen en volgend jaar op cd.


 

 

SUSAN TEDESCHI

 

Hope And Desire (2005)
Live From Austin TX (2003)
Wait For Me (2002)
Just Won't Burn (1998)
Better Days (1995)

 

Website : www.susantedeschi.com

 

 

 

 

Een kleine, blonde, blanke vrouw met een formidabele stem. Ze zingt zowel bluesrockers als soulballads en songs daartussenin. Ze heeft haar tijd genomen om na haar bejubelde albums, "Just Won't Burn" (1998) en "Wait For Me" (2002), veel te toeren, en een waardige vijfde plaat te maken. Susan Tedeschi zal er de vruchten van plukken: "Hope And Desire" heeft alles om een kennerspubliek aan te spreken.

 

 

 

Slide-gitariste/zangeres Susan Tedeschi uit Boston is een belofte voor de toekomst. Dat heeft ze met haar officiële debuut-album "Just Won't Burn" inmiddels bewezen, het leverde haar een Grammy-nominatie op voor best debuterende artiest. Er wordt zelfs gefluisterd dat ze de ontbrekende schakel is tussen Janis Joplin en Bonnie Raitt. Susan groeide op in Massachusetts en speelt al vanaf haar dertiende in bands. Sinds 1993 is ze op pad met haar eigen Susan Tedeschi Band. En dat ze ambitieus is, steekt ze niet onder stoelen of banken: ,,Ik wil niet altijd in kleine clubs staan. Mijn streven is Madison Square Garden in New York en Wembley in Londen. Ik ben bezig met een carrière en daarin moet het nu allemaal gebeuren. Ik blijf niet zitten wachten tot ik zestig ben." Oké, ze speelde op haar debuut als gitariste op een zelfbewuste, frisse manier de blues, maar het was toch vooral de treffende gelijkenis van haar stem en liedjes met Bonnie Raitt die veel aandacht trok.Van dit album, heeft ze, vooral via mond-tot-mondreclame, binnen de kortste keren vijftigduizend exemplaren verkocht. Nu zegt dat niet altijd alles over kwaliteit, maar Susan Tedeschi is echt een klasse apart. Ze is niet echt in een genre in te delen en vindt zelf dat ze "American roots"-muziek maakt. Blues, jazz, rock 'n' roll, country en folk hoor je allemaal terug in haar muziek. Ze kan fluisteren maar ook stevig uithalen en heeft een mooie, ietwat gruizige stem. Bovendien speelt ze lekker scherp gitaar en heeft ze een hele goeie strakke band om zich heen staan. Ze maakt onmiskenbaar haar eigen muziek, die eigenlijk al de genoemde genres lijkt te overstijgen.

Haar derde cd, "Wait For Me" (2002), na zowat twee jaar eindelijk in de Lage Landen uitgebracht, bevestigt haar onbevangen enthousiasme. Etta James kreeg met haar album "Let's Roll" de Grammy Award voor "Best Contemporary Blues Album". Hiermee kaapte de kranige dame de prijs weg voor de neus van Tedeschi, die genomineerd was met haar cd "Wait for Me". Dat Tedeschi's album schatplichtig is aan Etta James toont ook de jazzy titeltrack aan die herinnert aan de jaren '60 van Etta James en het beeld oproept van een rokerige pianobar. Veel andere nummers lijken door de bluesy gitaarbegeleiding en warme, soulvolle stem dan weer op Bonnie Raitt, zoals in "Till I Found You" en vooral "In The Garden". Tedeschi heeft een duidelijke levensvisie en draagt die in haar songs uit: liefde en muziek, daar draait het om in het leven! Ze brengt deze thema's in verschillende nuances, wat niet altijd voor diepzinnige teksten of verrassende songstructuren zorgt. Ze zingt dit echter met overtuiging en haar bekwame muzikanten staan haar prima bij. "Wait for Me" bevat een mix van stijlen en tempo's, van traditionele blues tot soul, rock 'n' roll en zelfs een ballad.De cd begint sterk met het krachtige soulnummer "Alone". Hier komt haar sensuele stem het beste tot zijn recht. Ook in de cover van "Gonna Move", origineel van de blinde Paul Pena die heel wat van Bonnie Raitts nummers schreef, staat haar stem als instrument sterk naast de stevige gitaarbegeleiding van de Derek Trucks Band. Deze groep van Tedeschi's echtgenoot, gitaarbelofte Derek Trucks, zorgt ook voor het gitaarvuurwerk in het swingende "The Feeling Music Brings". De pittige solo's tillen deze twee nummers boven de rest van het album uit. Met "Wrapped in the Arms of Another" levert ze daarentegen een te voorspelbare ballad af en "Til I Found You" bespeelt hetzelfde thema van liefde op een even inhoudsloze manier, deze keer in blues gekleed. De serie mindere liedjes eindigt met "Hampmotized", dat wel een stijlvolle funky begeleiding heeft, maar Tedeschi's rauwe stem irriteert in dit nummer waarin ze meer roept dan zingt. In de laatste drie songs van de cd herwint Tedeschi de sterkte van het begin, al is het zonder de gitaar van Derek Trucks. Ze covert Bob Dylan's "Don't Think Twice, It's Alright", bij deze versie met een Hammond-solo, ga je toch even rechtop zitten. Bluesy, intens, prachtig. De definitieve versie, wat mij betreft. Daarna volgt "I Fell in Love", een erg aanstekelijk rock 'n' roll deuntje. De energieke pianopartij lijkt niet toevallig uit Chuck Berry's oeuvre weggelopen: ze wordt gespeeld door Johnnie Johnson, de pianist van Berry en de drijvende kracht achter rock 'n' roll nummers als "Roll over Beethoven" en "Sweet Little Sixteen". De cd eindigt met het akoestische blues nummer "Blues on a Holiday", dat wat aan Eric Clapton doet denken met z'n mondharmonica. Dit is een muzikaal sterk album.

 

Dankzij de CD/DVD "Live From Austin,Tx" van New West Records is mijn wens om deze dame live te aanhoren al een beetje in vervulling gegaan, en we zullen er meteen duidelijk over zijn: dat was net zo geweldig als we hoopten. Natuurlijk valt er altijd nog meer te wensen, en hadden we haar echtgenoot Derek Trucks heel graag voor een gastoptreden op zien draven. Op "Wait For Me" speelt hij op een paar nummers mee, en op het ruim zeven minuten durende "The Feeling Music Brings" kun je niet alleen horen dat Trucks een fantastische gitarist is, maar ook hoe goed Tedeschi kan zingen en improviseren. Het duet dat ze aangaat met de gitaar van Trucks is fenomenaal, en dat was dan ook het nummer dat me hevig deed verlangen naar een live-optreden. Tijdens dit optreden in de Austin City Limits-show op 17 juni (2003) speelt ze met haar eigen band, waarin ze zelf niet onverdienstelijk gitaar speelt. Die band is zeer, zeer goed. Jason Crosby is een uitstekende toetsenspeler en violist, William Green bespeelt het befaamde vette b3 hammond orgel op een manier die je met open mond van bewondering achterlaat, en de ritmesectie is meer dan adequaat, Ron Perry (bas) en Jeff Sipe (drums) vormen een uitermate stuwende tandem. De heren verzorgen bovendien een fraaie tweede stem, waardoor de geweldige zang van Tedeschi nog beter uit de verf komt. De muziek is niet echt goed te rubriceren, al kunnen we het ruwweg elektrische blues noemen. Bovendien worden alle liedjes die ze onder handen neemt echte Tedeschi-liedjes, en dat is een kenmerk van de hele groten. Zelf schrijft ze overigens ook zeer prima songs, die uitstekend overeind blijven naast de nummers van Sly Stone "You Can Make It If You Try", Stevie Wonder "Love’s In Need Of Love Today", Bob Dylan "Don’t Think Twice, It’s All Right", Koko Taylor "Voodoo Woman" en John Prine "Angel From Montgomery", die ze hier allemaal met vuur brengt. Maar dit vuur blijft evenzeer branden in haar broeierige soulgerichte nummers als "Wait For Me", "The Feeling Music Brings" en "It Hurts So Bad". Blues, soul, rock ’n roll, funk, roots en pop, Tedeschi beheerst het allemaal op deze geweldige live-cd.

"I love to do my own material and create new stuff, but at the same time, there's so many great songs out there," Tedeschi notes. "What I was really going for was to make a great soul record, and these songs all have soul, in one way or another. They all had different things about them that really stood out for me, and they were all songs that haven't necessarily been heard by a lot of people."

 


HOPE AND DESIRE

Label : Verve Forecast
www.verveforecast.com
Distr.: Universal Music

Ondanks deze vorige geweldige cd's en een zo mogelijk nog imposantere live-reputatie is Susan Tedeschi nog altijd behoorlijk onbekend. Onbegrijpelijk eigenlijk want deze singer-songwriter maakt muziek die een breed publiek zou moeten aanspreken. Net als Bonnie Raitt maakt Susan Tedeschi rootsrock met flink wat soul- en vooral blues-invloeden. Waar het vuur bij Bonnie Raitt de afgelopen jaren wat gedoofd lijkt, begint dit bij Tedeschi net op te laaien. Susan Tedeschi beschikt over een geweldige stem, een stem die als een orkaan over je heen dendert. Daarnaast heeft ze een fantastische band om zich heen verzameld, bestaande uit Eric Clapton's sideman Doyle Bramhall II, bassist Paul Bryan (Aimee Mann, Martha Wainwright), drummer Jay Bellerose (Paula Cole, Suzanne Vega) en aan de keyboards Jebin Bruni en David Palmer, en de gospel groep the Blind Boys of Alabama, samen een band die alles kan spelen en dat nog allemaal goed doet ook. Haar nieuwe album "Hope And Desire" bevat weer rootsrock vol invloeden uit de blues en de soul, en warmbloedige vocalen die recht uit het hart komen. Omdat op haar album "Wait For Me", een tweetal covers, zoals Bob Dylan's "Don’t Think Twice, It’s All Right" uitstekend uit de verf kwamen, daarom beperkt Tedeschi zich dit keer tot het vertolken van het werk van anderen, zoals Ray Charles ("Tired of My Tears"), the Rolling Stones ("You Got the Silver"), Bob Dylan ("Lord Protect My Child"), Aretha Franklin ("Share Your Love with Me"), Donny Hathaway ("Magnificent Sanctuary Band") en Fontella Bass ("Soul of A Man"), allemaal covers die Tedeschi stuk voor stuk naar haar hand zet. Hoogtepunten zijn o.a. de rootsy-blues opener "You Got The Silver" met de prachtige gitaar riffs van Doyle Bramhall II en het R & B getinte "Tired Of My Tears" met een klansrol voor drummer Jay Bellerose en de gospel-backing van Jean McClain, Niki Harris en the Blind Boys Of Alabama. Echtgenoot Derek Trucks is driemaal van de party op deze twaalf nummers, maar zijn dobrospel op "Lord Protect My Child" is wel zeer uitmuntend. "Hope And Desire" valt niet alleen op door een fantastische band (met een glansrol voor gitarist Doyle Bramhall II) en soulvolle zang, maar ook door een hele mooie productie, waarvoor niemand minder dan Joe Henry (Solomon Burke, Aimee Mann, Jim White, Bettye Lavette) verantwoordelijk blijkt te zijn. Dat dit de doorbraak-cd van Susan Tedeschi gaat worden lijkt ons zeker, want zo rijk gevuld worden platen tegenwoordig nog maar zelden gemaakt. En niet enkel platen worden gemaakt maar ook kindjes. "I had just written some new songs with my band," she explains, "but with the birth of my daughter, Sophia, most of them weren't really finished yet, so I didn't feel like we were ready to make that record yet. I’ve wanted to record some old tunes by other artists that I admire for a while and it seemed like the right time." Dat beloofd reeds voor het nieuwe jaar!

 


DARDEN SMITH

FIELD OF CROWS
Website : www.dardensmith.com
Email: dardensmith@earthlink.net
Label : Dualtone
www.dualtone.com

We hebben het wel voor sympathieke antihelden zoals Darden Smith. Smith is een songwriter uit Austin, Texas, die al zo’n twintig jaar tegen beter weten in, aan de weg timmert. Waarom de man zo obscuur is gebleven, ons is het een volstrekt raadsel. Hij beschikt over een prachtige, fluweelzachte stem en zijn grappige, poëtische songs zijn zonder uitzondering van superieure kwaliteit. Daarbij heeft hij ook iets John Hiatt-achtigs. Hij weet heel veel oprechte emotie in z'n helende stemgeluid te verwerken en daarmee zo'n beetje alle aandacht naar zich toe te trekken. Darden is zo’n songwriter die zonder echt op te vallen de mooiste dingen maakt. "Sunflower" bijvoorbeeld, een cd die nog altijd fris en sterk klinkt. Maar ook "Circo", zijn tweede CD voor Dualtone van vorig jaar, staat bij ons nog steeds in de boeken als één van de allermooiste Americanaplaten van de voorbije jaren. "Circo" is een een plaat zonder toeters en bellen die uitblinkt in zijn subtiliteit. De songs hebben een relaxte sfeer en zijn ijzersterk. De sound is aangekleed met strijkers, een orgel of een steelguitar van wie anders dan Lloyd Maines. Maar de basis is toch de stem van Smith, zijn gitaar en een bescheiden ritmesectie. Vocaal wordt Smith bijgestaan door Jim Lauderdale, Kim Richey, Suzzy Roche, Shawn Colvin en Boo Hewerdine, de zanger van The Bible met wie Smith ooit de cd "Evidence maakte". Hoewel sommige nummers vermomd zijn als sfeerrijke pop en de gelaagde melodieën als een zomerbriesje de oren van de luisteraar strelen, voorspelt Darden Smith veel onheil in zijn teksten en zorgt hij met z'n getroebleerde jongensstem voor het nodige tegengewicht. Zoals het prikkeldraad en de dreigende wolken op de sobere hoes zich aftekenen tegen een donkere horizon weet singer-songwriter Smith zijn liedjes bijna iets apocalyptisch mee te geven. Werkelijk prachtig zijn de bijdragen van Shawn Colvin in "Late Train To London" en "Hands On The Wheel" en Kim Richey in "Make Love So Hard". Nu is er zijn nieuwe album "Field Of Crows", ook voor Dualtone en het is weer een bijzonder sfeerrijk, ongedwongen vervolg geworden. Op deze negende plaat staan twaalf mooie, ingetogen country en folk-liedjes, waarin de voornaamste kracht schuilt in de glasheldere, wat dromerige vocalen van Smith, die soms aan Jackson Browne doen denken. Ook de muzikale begeleiding is weer eens ijzersterk, zij dat deze keer geen Lloyd Maines de pedal steel bestuurt maar ene David Mansfield. En ook Eliza Gilkyson is van de partij in "Fight For Love" en "Golden Age" waarin respectievelijk de vrede en het verdriet in de wereld centraal staan. Het zo romantisch gebrachte "Satisfied" is een song over een man en een vrouw die terugdenken aan hun jeugdige en alles verterende passie voor Marilyn en Elvis. Nu zijn ze volwassen, en ze realiseren zich dat hun kalme liefde voor elkaar veel dieper gaat en bevredigender is dan die hitsige hartstocht van vroeger. Dat klinkt een beetje gezapig, maar het aardige is dat die diepgang ook terug te horen is in de muziek. Het liefdesliedje "Spinning Wheel" schetst een mooi muzikaal panorama, met een subtiel gebruik van de keyboards, terwijl je elders kunt genieten van een karige maar uiterst effectieve inzet van de akoestische gitaar. En zo nu en dan swingt het nog ook op deze schitterende cd. "Circo" en "Field Of Crows" zijn van die typische albums, die je voorzichtig voortkabbelend bij elke beluistering wat meer inpalmen. Waar ze het eerst eigenlijk maar heel gewoontjes lijken, nodigt het vervolgens uit tot keer op keer opnieuw beluisteren en worden het zelfs bijzonder graag geziene gasten in de late uurtjes. Laten we er niet omheen draaien: Moge Darden Smith een gouden toekomst tegemoet gaan!


.