P. VAN SANT
SIMON HOIRUP
BUCKSWORTH
GEOFF ACHISON
DELTA GROOVE PRODUCTIONS

 


Nu P. Van Sant aan een nieuwe fase in zijn carrière begint en de repetities voor zijn nieuw album volop bezig zijn, is het wenselijk om eens terug het licht te laten schijnen op deze artiest en vorige uitgebrachte cd’s. P. Van Sant, late veertiger, werd al als tiener door de muziekmuze verlokt, die op de Zwarte Muze van de Delta Blues geleek. In het Leuvense richtte hij het bandje ‘The Boxcars’ op, dat in 1982 de finale haalde op Humo’s Rock Rally. De zes profileerden zich met covers van bluesrock of leunden aan bij ‘Good Time’ muziek. En vermits de jonge gasten wisten hoe hun instrumenten te bespelen, stonden de organisatoren klaar om hen te boeken. Tien jaar lang maakte Sante hier deel van uit samen met Monsieur ‘lange’ Pol en Luk De Graaf. De band, meegesleept in een nogal roerig uitgangsleven, splitte uiteindelijk. P. Van Sant speelde daarna in nog enkele andere groepjes met namen als ‘The New Boxcars’ en ‘Double Aces’. In dat laatste speelde B. Van Huyck mee, die nu nog af en toe P. Van Sant begeleidt. In elk geval deed Sante veel podiumervaring op, wat je trouwens kan merken in zijn Live Acts. Uiteindelijk besloot hij solo zijn weg te zoeken.

..

Zijn eerste soloalbum verschijnt in 1996 met als titel ‘This Hounddog Is Still Howling’ uitgebracht door Nederlander Tuur Praet (Dureco). Hierop spelen verschillende gastmuzikanten mee zoals o.m. Vincent Pierins op basgitaar, Raf Timmermans en Ludo Beckers met harmonica. Op Tom Waits ‘No One Can Forgive Me But My Babe’ hoor je duidelijk de invloed van Townes Van Zandt. Op enkele nummers zingt ook Chantal Kashala mee, o.a. op Morganfield’s ‘I Can’t Be Satisfied’. Maar de helft van de songs zijn door P. Van Sant zelf geschreven. Vele bluesthema’s zijn daarin al prominent aanwezig, zoals het verhaal over ‘Jimmy C. Lewis’ en de song ‘Whiskey’. Als hij zingt ‘Well you’ve got Saints and Sinners, Babe I swear I’ve tried both ways’, dan kan je vermoeden dat er in hem ook een Kerouac of Ferlinghetti schuilt. In elk geval stond zijn talent als songschrijver al vanaf het begin vast. Het is trouwens zijn overtuiging ‘dat de song voor hem het werk moet doen’. Dit eerste soloalbum is doordrenkt van country- en authentieke rootsinvloeden, met een eerste voorspellende bluesinslag ‘The blues grab me at midnight, Makes me feel cold and all alone’. - P. Van Sant heeft er blijkbaar geen moeite mee om in een handomdraai nieuwe nummers te schrijven. Meestal vindt hij zijn inspiratie in bruine kroegen of graaiend in de muziek van de oude bluesmannen. Mississippi Fred McDowell noemde hij ooit als één van zijn idolen. In 1998 komt ‘Me And The Guitar Man’ uit. Arthur Praet ligt weer aan de basis. Peter Van Sant schreef deze keer alle songs, waarin hij opnieuw figuren en plaatsen tot leven brengt, typisch voor ‘bluescountry’ mannen. Titels als ‘Uncle Joe’, ‘Berlin ‘44’ en ‘The Black Rose Café’ spreken boekdelen. De wijze waarop hij zijn gitaar en dobro bespeelt doet dit album overhellen naar de swampblues, zompige blues waaraan de donkere ruige stem van P. Van Sant vooral de passie toevoegt. Dit album klinkt ‘rootsy’, bluesrock vermengd met countryelementen. De singer-songwriter brengt hier pure songs bijeen, mengeling van folk, poëzie en New Age blues, waar zwaarmoedigheid, passie, twijfels en dromen elkaar afwisselen. Maar hij zingt ook ‘Can’t Change The Weather’, wat een moeilijker periode inluidt. Eerst verschijnt in eigen beheer nog ‘P. Van Sant Feat. Lazy Horse’, waarop ook Big Dave met mondharmonica meespeelt. Dit album werd in Antwerpen opgenomen in 2000 en bevat naast covers van o.m. Tony Joe White en Tom Waits vier eigen nummers met het lijzige ‘Muddy Waters’.

In 2004 is er dan opeens zijn ‘I’m A Believer’ op Blue Gems dat overal positief wordt onthaald met schitterende recensies. Rootstime schreef hierover :
Voor “I’m A believer”, het nieuwe album dat deze maand op de markt komt koos hij wederom voor een ander label, Blue Gems. Deze nieuwe thuishaven (met o.a. Froidebise, Blinkit en William Souffreau) is voor Van Sant, de perfecte plaats om zijn carrière verder uit te bouwen. Op dit album werkte P.Van Sant samen met David Vertongen(drums), Andries Boone (mandolin,fiddle) en Jasper Hautekiet (The Ballroomquartet) op bas. Gast Steven Troch kan u horen op het rustige “Rex’s Blues” op bas harmonica en harmonica. Opmerkelijk is ook het mooie viool- en dobrospel in dit sterke nummer. "Don't tell me how to do it" is zeer goed te rangschikken in de Amerikaanse countrytraditie, met een alomtegenwoordige viool. Deze feestelijke muziek nodigt dadelijk uit om te dansen, zoals ook "Midlife crisis Blues" een zeer sterke song in de aloude countrytraditie. Kortom we zijn nog maar aan nummer zes van dit twaalf nummers tellende album, allemaal songs met een eigenzinnige mix van blues, folk en wereldmuziek met singer-songwriting van de bovenste plank, uniek en origineel. Afsluiter "Are You Hooked" is er zo één dat voldoende stof geeft om na te denken, zoals de titel reeds laat vermoeden. "I'm a Believer" brengt gewoon : pure geloofwaardige blues/roots in al zij facetten, Made in Belgium. Klasse!

Marcie


SIMON HOIRUP

Wat kan Myspace toch een mooie en aangenaam uitvloeisel van internet zijn, via dit medium kwam ik reeds in contact met vele uitstekende muzikanten. Zo ook deze keer: De Deense gitarist Simon Hoirup die reeds 3 cd’s op zijn actief heeft, kwam via deze weg in mijn vizier en dat is iets waar ik heel blij om ben. Zodoende kreeg ik de kans, of beter gezegd, had ik de eer om deze cd’s te mogen beluisteren en er wat over te mogen schrijven zodat meer mensen eindelijk deze klassegitarist kunnen leren kennen. Simon, die momenteel 46 is speelt bijna 40 jaar gitaar, vanaf zijn zevende namelijk. Zijn vader was een professionele jazz en blues pianist, van hem leerde hij zijn eigen bluesakkoorden, op zijn tiende zat hij al in zijn eigen band en nam op 16 jarige leeftijd samen met zijn rockband “The Wild Horses” een album op, de eerste LP in Denemarken opgenomen door een minderjarige. Dan begon hij zijn gitaartechniek verder uit te bouwen met het jammen samen met andere bekende Deense muzikanten. Hij stichte de rockband Sidewalk, die dezelfde manager had als Abba, Stickan Andersson. Sidewalk was ondermeer Dr John’s begeleidingsband tijdens Scandinavische tournees, na omzwervingen als gitarist tijdens de jaren negentig in musical producties en met andere bluesbands stichtte hij in 1999 zijn eigen band, de Simon Hoirup band en in 2002 resulteerde dat in het sterke debuut: “Strongly Related“.

STRONGLY RELATED

Dit debuut uit mei 2002 begint dadelijk supersterk met een langzame, sfeervolle instrumental: “Astethic Wave”, een beetje blues, wat fusion, heerlijke gitaarmuziek waar ik wel pap van lust. Je hoeft niet nog méér te horen om door te hebben dat Simon een gitarist van hoog niveau is. Als op het volgende nummer de jonge beloftevolle Deense zanger Rune Funch de vocals voor zijn rekening neemt in “Life Wouldn’t be The Same” krijgt dat nummer nog wat meer power, en “Cry Baby Cry” met de stem van James Loveless, dé beste bluesvocalist van Denemarken is een wat funky midtempo blues, waar James en Simon het beste van hun kunnen tonen. Het gitaarwerk van Simon is in deze song sober, maar net wat het nummer vraagt. In “BluesEyes” een soulvollle blues die wat de sfeer ademt van “As The Years Go Passing By “ van Deadric Malone, trekt Simon echter alle registers open en speelt de sterren van de hemel. Terug tijd voor een instrumental, in een juist afgewogen verhouding vermengen jazzy en funk elementen zich in “Just Like That”, met mooie Hammond b3 passages van Martin Kaufmann. “You Are Something Special” zingt Rune Funch met veel gevoel, en als Simon halverwege de song zijn solo aanvangt denk ik net hetzelfde, Simon’s ingetogen gitaarspel is groots, net vanwege zijn dosering, nooit protserig of wat ik noem: “Kijk Mamma, zonder handen”, maar de juiste noten op de juiste plaats. Als in “Space Place” met James Loveless als zanger, het rockende ritme en die soulvolle stem met elkaar in de clinch gaan, lijkt het wel even of de Texaanse “supervoice” Malford Milligan de microfoon overgenomen heeft. James is niet voor niets een van Denemarken’s beste stemmen. “Admiration” de laatste song kon niet beter gekozen zijn, want dat is het gevoel dat ons na de beluistering dit debuut bekroop. Wat zitten er nog mooie verborgen muzikale verrassingen hier en daar. Je ziet, het hoeft niet altijd uit de States te komen: het hoge noorden, vooral Denemarken, heeft ons de laatste tijd al heel wat moois geschonken, denk alleen al maar aan Mike Andersen en Thorbjorn Risager, en nu deze Simon Hoirup.

OPEN UP

Iets meer blues rock invloeden in de openingssong “Been To Long” van opvolger “Open Up”. Zanger deze keer is Shaka Loveless, jawel de zoon van….en momenteel een topact met zijn band Gypsies in Denemarken. Deze jongen kreeg het duidelijk met de genen mee, zijn stem bezit al evenveel soul als die van papa. Het totaalgeluid van “Open Up” is waarschijnlijk mede door hem wat meer pop en funkgericht en ook de medewerking van de tweede vocaliste Trille Palsgaard brengt op dat gebied power in de band. “Going All The Way” en ”Behind The Lights” zijn songs met een ongelofelijke power, die vol zitten met blues-rock invloeden. Trille werkte mee aan zoveel projecten dat het onbegonnen werk is om met een opsomming te beginnen, haar stem is zo gewild dat half muzikaal Denemarken om van haar diensten gebruik maakte.Terecht, zo blijkt, haar krachtige stem past ook bij Simon’s muziek wonderwel. Opvallend bij “Open Up” is dat Simon zich op deze CD wel erg weggecijferd heeft. Zijn gitaar speelt hier niet de belangrijkste rol, maar is een klein maar belangrijk deel in het totaalgeluid, en de blues maakt in ruime mate plaats voor het rockritme van deze sterke jonge line-up van de Simon Hoirup Band, vooral in songs als “Down Down Down” en “Always Longin’”. Het is pas in de titelsong, waar beide zangers mooi de vocals delen, dat het bluesy aspect en Simon’s heerlijke gitaarwerk terug aan de oppervlakte komt. Shaka en Trille laten ons bovendien volop genieten van hun sterke stemmen in dit duet. Ook nog een pluim voor Martin Kaufmann, die met zijn Hammond regelmatig John Lord van Deep Purple in herinnering brengt met een gelijkaardig klankbeeld. Het mooiste nummer blijft echter voor ons de instrumentale afsluiter “Free” een prachtig stukje gitaarvirtuositeit met invloeden à la Jeff Beck. Lezers die regelmatig reviews van ondergetekende lezen weten dat ik daar een boontje voor heb. Kippenvel moment, deze song.

L.A. INSTRUMENTALS

Net of Simon Hoirup het wist. Als ik op het eind van voorgaande CD liet merken dat ik smelt voor goede bluesy gitaarinstrumentals in het fusion genre, dan krijgen we nu een hele CD van dit lekkers voorgeschoteld. Voor deze CD ging Simon naar Los Angeles en kreeg er medewerking van Kim Hansen op keyboards, de bassist van Spyro Gyra, Al Jarreau en Randy Crawford, namelijk Roberto Vally en de overbekende drummer Ricky Lawson (Micheal Jackson, George Benson, Phil Collins, Yellow Jackets). De opnames stammen van de zomer van 2007, namen slechts 4 dagen in beslag, en hetgeen we te horen krijgen is uitermate sterk, toch zeker voor hen die houden van een knap stukje gitaarwerk. Even luisteren naar deze 10 eigen composities. Wat meteen opvalt is de hechtheid van de band, ongelooflijk dat deze mensen nog nooit samenspeelden. Hier merk je pas wat het betekent topmuzikant te zijn. “Happy en Groovy” een shuffle die de cd opent is laid back en zet de toon voor de rest van de cd, dit is muziek zoals we die gewoon zijn van mensen als Larry Carlton, Jeff Beck, Lee Ritenour, Robben Ford en John Scofield. Al heeft Simon die naambekendheid van deze muzikanten nog niet, toch kan hij gerust in dit rijtje plaatsnemen. In “Song Of Life” zijn er weer die Jeff Beck invloeden, terwijl “Pure Matter” een bluesy nummer met mooie keyboards van Kim Hansen, net als op de andere cd’s toont waarin Simon een ware meester is, namelijk de dosering van zijn gitaarspel, zeker niet te veel, maar ook niet te weinig, de juiste noten op de juiste plaats. “Angelic” duidelijk wat geinspireerd door “Tears in Heaven” is weer zo een laid back, easy to listen blues nummer waarmee deze plaat vol staat. Soms zijn er wat Knopfler invloeden, zoals in “Light It Up” waar zelfs even Chet Atkins om de hoek komt kijken op het eind. “Line Out” is jazzy maar eveneens vol blues tegelijkertijd, iets wat deze CD zo apart maakt. “Willing To Go Through” voor mij het hoogtepunt van deze “L.A. instrumentals”, heeft het allemaal, het “happy”, wat funky ritme en die mooie melodielijnen die zo typisch zijn voor Hoirup. Ook de afsluiter “In Another World” is een zoveelste sfeervolle rustige instrumental die op de stijl van de hoger vermelde gitaristen geënt is. Wie net als wij wat verfijnde bluesy fusion gitaarmuziek hoog in het vaandel voert, zal zeker van deze “L.A. Instrumentals” met volle teugen genieten. Spijtig dat dit voorbij is, duw nog eens op die play button, schat.



RON


BUCKSWORTH


Website - Label: Silent John
VIDEO 1 VIDEO 2

HAUL ALONE

De vereniging van de kwaliteiten van niet minder dan drie grote zangers, dat is wat ik hoor in de stem van Mark Nemetz, zanger van Bucksworth: namelijk het nonchalante van Mick Jagger, het lyrische van de jonge Van Morrison maar het meest nog bluesy geluid van Lowell George, ten tijde van meesterwerkjes als "Willin". Nemetz maakte eind jaren tachtig, begin jaren negentig deel uit van de poprockformatie Blue Train. Nu heeft hij een rootsband "Bucksworth". En ze zijn iedere dollar waard die je neertelt voor de prachtige debuut-cd "Haul Alone". Mark's prachtstem past bij de tien country, alt country en Americana songs als goede wijn bij een prachtige maaltijd, ze vullen elkaar aan tot een perfect geheel. Dat is hier ook zo het geval. Het is rootsmuziek met sterke invloeden. Zo horen we The Rolling Stones (op opener "Grass"), country ("Stories Like Mine"), een portie hillbilly ("Middle Of The Road"), en zelfs wat Mexicaanse sfeer ("Sail Away"). Wellicht de mooiste song op dit ijzersterke debuut is "Every Day", twangy gitaren zorgen voor een prachtige sfeer om deze song vol liefdesbetuigingen te omgeven. De backing vocals van Lisa Nemetz, die trouwens op de ganse cd discreet maar effectief aanwezig zijn, passen prima met Mark’s stem in een soort close harmonie. Als "Don’t Work So Well" uitsterft weet je dat dit weer één zeldzame cd is, die van de eerste tot de laatste minuut weet te boeien, en die je veel te gauw gedaan lijkt. Dit smaakt naar meer, veel meer. Bucksworth plaatste zich 7 jaar geleden met dit debuut meteen bij het kopgroepje van de rootsrock liga en is voor mij elke keer er een nieuwe cd verschijnt, kandidaat voor het jaarlijstje, zelfs al ben ik, zoals sommigen weten, geen voorstander van genummerde rangschikkingen.


CAJON PASSAGES

Ondertussen zijn we drie jaar later, en al was deze band ijzersterk bij hun debuut, toch kan ik je vertellen dat ze toch nog een serieuze groei doormaakten, zowel op gebied van het schrijven van songs als op het brengen ervan. Songs die zich met het grootste gemak via de oren in je geheugen nestelen, maar er niet meer zo vlug weg gaan, songs met "hooks" zoals we dat noemen, die je onbewust zit te nëurien als je je goed voelt. Allemaal eigen composities behalve de J.W. Routh compositie "Crystal Chandeliers And Burgundy" die ook Johnny Cash ooit onder handen nam. De songs vormen een concept en zijn geinspireerd door het werk van John Steinbeck "The Grapes of Wrath" en the Joad familie met hun onfortuinlijke verhuis naar California. Ondertussen is één van de songs op deze cd uitgegroeid tot zowat mijn favoriete song aller tijden, namelijk "Where’d my town go?". Een bluesy rootsballade om vingers en duimen af te likken. De sound van hun nummers is tijdloos, Joe Hills gitaarwerk is schaars, maar effectief en sfeervol, vooral in "Drop Me Down" en in "That’s How And Where It All Began". Dit is Americana zoals het moet, aan alles is zorg besteed, zelfs de hoes is sober en prachtig. De liefdesbetuigingen aan het homeland, "Thank you, Las Vegas" en "Nevada, My Nevada" zijn beide, wat had je anders verwacht van Bucksworth, ijzersterke songs. De eind- en titelsong "Haul Alone" met pedal steel en mandoline, en ook weer met sterke Jagger/Morisson inslag, is nog een van die juweeltjes waar elke Bucksworth cd vol mee staat. "Cajon Passages" is gewoonweg topklasse.


THINGSFOUNDWALKINGWITHYERHEADDOWN

Het leek niet mogelijk en toch deden ze het, hun "Cajon Passages", toch een klein meesterwerkje, nog verbeteren. Dat speelden ze klaar eind 2006, en deze cd was één van mijn eerste besprekingen van 2007. Het bleek achteraf ook mijn beste cd te worden van 2007, maar omdat de release officieel nog in 2006 viel, moest ik voor mijn "plaat van het jaar" een andere kiezen. Bij deze wil ik bij wijze van eerherstel "Things found" als mijn favoriete plaat van vorig jaar bekend maken, gewoon omdat ik dat jaar niks gehoord heb wat dit nog kon evenaren. Naast de stem van Mark heeft Bucksworth nu nog een tweede troefpunt, de nieuwe gitarist Matt McGunigle, die de moeilijke taak had Joe Hill te vervangen, maar dat bleek voor Matt niet moeilijk. Vooral op pedal-steel is hij een meester, die op de juiste plaatsen voor net de nodige backing zorgt. Gaan de teksten over relatieproblemen ("Lil Girl Is Mean"), zelfdestructie ("Too Many Smokes") en veroudering en verval, net als je denkt dat je ter hulp moet snellen, herstelt hij het evenwicht en laat ons horen hoe hij geniet van de kleine des levens zoals kinderen, een oude roestbak als auto, en de vrijheid van de jeugd. "Things Found..." gaat over het zien van die kleine dingen voor je, als je ze maar wil appreciëren. Deze derde van Bucksworth is een prachtplaat, nog sterker dus dan hun vorige twee. Ondertussen zijn we weer twee jaartjes verder. Wat denk je, Mark, zetten we de stijgende lijn verder met een vierde voor ’t einde van het jaar? Ik hoop het van harte, in ieder geval, deze drie cd's waren elk van de eerste tot de laatste minuut gevuld met "ear candy". Een band die zijn naam echt niet gestolen heeft.
RON


GEOFF ACHISON & THE SOULDIGGERS

Website - Contact
Label: Jupiter II records

Moest je nog niet van deze man gehoord hebben, waartoe heel wat kans bestaat, dan heeft dat twee redenen. Ten eerste leefde Geoff tot voor kort in Australië, vanwaar weinig informatie ons bereikt en ten tweede heeft hij nooit bij een major getekend, zodat zijn platen enkel bij optredens als zoete broodjes van de hand gaan, maar er daarbuiten weinig rond gebeurd. Rootstime wil daar iets aan doen en duidelijk maken met wat voor een talent we hier te doen hebben. Zij die me kennen, weten dat ik een zwak heb voor goede gitaristen, en zodoende wil ik Geoff even in onze "blikvanger" plaatsen, en drie representatieve cd's van hem onder de loep leggen. De man heeft er ondertussen elf, daarom pikken we er drie sterke uit. Geoff staat bekend als een "gitaristen gitarist". In de isolatie van de Australische plattelandsgebieden ontwikkelde hij met zijn eigen middelen een eigen aparte geluid, dat vooral bekend staat om één belangrijk element, het ontbreken van gadgets en elektronische hulpmiddelen zoals effectpedalen en andere toestanden. Enkel met zijn handen tovert Geoff al deze mooie geluiden uit zijn gitaar, iets wat andere gitaristen en kenners, verbaasd de wenkbrauwen doet fronsen. Rond zijn twintigste speelde hij in Melbourne in de band van de bekende Australische bluesartiest Dutch Tilders, maar na een aantal jaren werden de eigen muzikale ideeën te sterk. Geoff wou zijn eigen muziek brengen, een soort blues met veel funky invloeden, muziek die diep in je ziel op zoek gaat naar de waarheid en eerlijkheid, vandaar de naam "Souldiggers". In 1995 ging hij dan voor het eerst naar Amerika, voor de wedstrijd van de Blues Challenge in Memphis en won de Albert King Award. Hij tekende een deal met Gibson om hun gitaren te promoten, en is als gast lesgever ieder jaar gevraagd op Jorma Kaukonen's "Fur Peace Ranch". Een plaats waar enkel topgitaristen les mogen geven aan andere gitaristen, en hun zo verfijnde kneepjes en eigenheden van een bepaalde stijl en sound door te geven. Spencer Bohren, die ik vorig jaar in deze blikvangers besprak en later interviewde, geeft er ook regelmatig les. In 1997 trok hij dan naar Engeland waar hij ook onder meer een live cd opnam, die we even verder ook zullen toelichten. In begin 2007 kreeg hij een aanbod om te verhuizen naar Atlanta, Georgia, wat hij ook deed en sinds een jaar woont hij nu definitief daar. Zijn laatste release is de Live cd "Souldiggin" waarvan ook een DVD bestaat, en iets vroeger werd de akoestische cd "Acho Solo" ook nog uitgebracht, die Geoff vanuit een andere hoek laat horen, want veelzijdig is deze meestergitarist zonder meer, plus een groot componist en songwriter.

SOULDIGGIN' CD

De vraag die je je stelt tijdens het beluisteren van dit stomende liveconcert is dan ook: Is dit Blues? Of Soul? Rockt dit? Is dit een Jam? - Het antwoord op al deze vraagjes is één volmondig:Ja! Maar hoe we het ook noemen, welke naam we er ook willen op plakken, dit is gewoon beresterke muziek. Omdat Geoff vooral een enorme live reputatie heeft, bespreken we daarom ook twee live cd's van hem, ééntje opgenomen in Australië (deze dus, de meest recente) en dadelijk de opname "In the U.K" die opgesplitst werd in twee delen de eerste helft akoestisch en daarna elektrisch versterkt. De aftrap in het St Andrews hotel in Victoria is "Tell Me Something I Don't Know". De stem van Geoff noemt men in artikels wel eens een mengeling van Joe Cocker en Warren Haynes, misschien, maar ik zelf hoor er veel in terug van Roger Chapman, (zanger bij Family en Streetwalkers, maar toch het bekendst vanwege "Shadow On The Wall" met Mike Olfield). In deze openingsong lijkt het gitaarwerk nogal op dat van Derek Trucks, één van mijn favoriete slidegitaristen. Enkele vroegere muzikanten van Geoff zitten schijnbaar nu ook bij Derek of hebben voor hem gewerkt. "Kerry Lou" een Texaanse shuffle die dan volgt, heeft lange momenten van improvisatie ingebouwd, die prachtig zijn, helemaal in de stijl van de huidige jambands zoals Gov't Mule en Phish. "Take What You Can Get" laat ons horen waartoe Geoff in staat is als hij eenmaal warmgespeeld is. Vanaf nu is mijn top vijf van favoriete hedendaagse gitaristen lichtjes gewijzigd, er staat een nieuwe naam op vier, na Jeff Beck, DerekTrucks en Warren Haynes, van welke drie er trouwens elementen in Geoff’s gitaarwerk terug te vinden zijn. En het gaat maar door, als een stoomwals rollen de prachtige gitaarklanken over je heen, "Sugar Sweet" met hoog jamgehalte, verplettert je gewoon. Om even op adem te komen, krijg je de rustige sfeervolle intro van "Reason to Live" een nummer dat daarna langzaam opbouwt om met een gitaarclimax te eindigen die je met verstomming slaat. In "Stepping Stones", weer zo een nummer waar gedurende tien minuten de sfeer langzaam opbouwt. Hier hoor ik dingen die volgens mij inderdaad ondoenbaar lijken op een gitaar zonder effectapparatuur en de intro van "Hotel" heeft zelfs iets "Voodoo Child" achtig, begin maar eens zonder pedalen. Een constante doorheen het hele concert is ook de funky elementen die doorheen zijn stijl verweven zijn. "If The Washin' Don't Get You, The Rincing Will" blijkt een succes geweest te zijn in Australië, en dat is begrijpelijk want deze shuffle heeft een drive die je benen aan hett werk zet, of ze nu willen of niet, dansen zul je! Afsluiten doet Geoff deze onvergetelijke avond met "Overtime”, een song die jazz, soul, funk en blues samen combineert tot een stomend geheel dat de zaal naar adem doet snakken.

SOULDIGGIN' IN THE UK

Het concert dat Geoff in 2001 in Engeland opnam had plaats in het kader van een "Bottleneck Blues Club" optreden in de Two Zone Studios in Benenden, Kent, en bestaat uit een combinatie van 5 akoestische songs en 6 met een band bestaande uit bassist Dave Clarke, drummer Sam Kelly en toetsenman Dave Lennox. Ditmaal bestaat het optreden vooral uit eigenzinnige bewerkingen van covers wat vooral in de unplugged afdeling verrassende resultaten oplevert. De songs gaan hierdoor een eigen leven leiden en herinneren nog weinig aan de originele versies. Bij dit optreden bespeelt Geoff nog zijn Les Paul Deluxe Gold Top uit 1969, die hij enkele jaren later noodgedwongen moet vervangen wegens slijtagetekenen en die vervangen is door een 2001 Paul Reed Smith Standard 22 'Gold Top' die je kan zien op de hoes van de Australische "Souldiggin' ", zijn meest recente cd. De solo akoestische set begint met "He's Got A Way With Woman" een bluesy A.J Groce's song, waarna Geoff's eigen "Beggin Bowl" het bluesgevoelen nog wat dieper uit zijn ziel naar boven haalt, letterlijk, als een Souldigger. Vrouwtje weg in de eerste song, de job en de centen in de tweede. Je zou voor minder de blues hebben. De mooie, erg aparte versie van "Voodoo", een Neville Brothers song met uitstekend gitaarwerk op de Gibson. De Hendrix cover "Castles Made Of Sand" is in tegenstelling wat je zou kunnen verwachten, ook erg rustig en ingetogen met subtiel, maar niettemin zeer effectieve gitaarbijdragen. Het hoogtepunt van deze solo set blijft voor mij echter de cover van Greg Allman's "Whipping Post". Als tijdens de tweede helft van het concert de lichtjes gewijzigde versie van de Britse "Souldiggers" het podium betreedt om Geoff van de nodige backing te voorzien, slaat dan het vuur in de pan. "Sugar Sweet" een song die Mel London schreef (en die we ook kennen in een versie van Muddy Waters en Freddy King) krijgt hier een versie waar de vonken van afspatten. Het gitaarspel van Geoff is hier zo spetterend, en heeft diezelfde virtuositeit die we kennen bij een Jeff Beck en waarvan vooral in dit nummer een duidelijke stijlovereenkomst te horen is. Willie Dixon's "Same Thing" met zijn mooie samenspel tussen Hammond B3 en gitaar en Robert Johnson's "Walking Blues" die hier een semi Bo Diddley ritme aangemeten krijgt, waarover Geoff improviserend, jammend, zijn gitaarsolos etaleert, losjes uit de pols en to the point, als de enige echte meester van de pure, zuivere sound. Na "Little By Little" met Dave Lennox in een hoofdrol, volgt nog Little Richards "Lucille", de rockklassieker die hier omgebouwd is naar een soepel rollende shuffle vol met hoe kan het anders, stomende gitaarpartijen. Afsluiter "24 hours" een nummer van Champion Jack Dupree, waarvan ik lang geleden als jonge knaap nog een live optreden meemaakte, is mijlenver verwijderd van de versie die deze barrelhouse pianist toen speelde, maar het getuigt van inventiviteit om zo een sobere klassieker te bewerken tot een funky hedendaagse blues. Getuige het uitzinnige applaus op het einde, de "Bottleneck Blues Club" ging uit zijn bol.

LITTLE BIG MEN

In tegenstelling tot het gedreven gitaarspel en de wat losse jam-achtige sfeer die elk live optreden van Geoff Achison typeert krijgen we op zijn studio cd "Little Big Men" een veel rustiger en perfect afgewerkt geluid, dat dikwijls meer een jazzy pop inslag heeft. "Crazy Horse" is een song die heel laid-back is en wat een J.J Cale stempel met zich meedraagt, vooral de gitaar "News" blijft wat in dezelfde lijn, maar voegt er nog wat Steely Dan aan toe, maar dan zonder in de steriele Donald Fagen geluidenval te trappen. Ook "Happening" met zijn funky baslijn breekt niet met die sfeer die nu vanaf het begin opgebouwd is. De bluesy jams die we kennen van de live optredens zijn ver af, maar dit is ook perfecte muziek, en ik ben blij dat we de veelzijdigheid van deze topgitarist zo ook leren kennen. Hier horen we Geoff meer bezig in een stijl die dichter aanleunt bij Lee Ritenour, Larry Carlton, maar met de inventiviteit en vernieuwingsdrang van Jeff Beck. Vooral in het prachtige "Rule The World" hoor je dit, dit is meesterlijk vakmanschap op gitaar. "Little Big Man" zet die jazzy lijn mooi door en de cd heeft daarmee een prachtig samenhang, want na "Feel Like A King", een ietsje meer funky van opbouw komt het luie "Wagging The Dog" met Geoff's gitaar die lekker voortkabbelt en perfect combineert met het prachtige geluid van de elektrische piano van Mal Logan. In het korte "Fake Identity" en ook in het volgende "Living In Fear" tovert Geoff weer geluiden uit zijn gitaar die vergelijking met Jeff Beck volledig bevestigen. Het reggea-ritme, gecombineerd met de bluesy riffs van Geoff in "Never Give It Up" maken ook van deze song weer een feest voor je oren. Even komt de sfeer van de live optredens naar boven in de energieke instrumental "Reach For the Sky" dat zijn naam niet gestolen heeft, want de song jaagt zichzelf naar hoger sferen tot een soort climax om uiteindelijk langzaam naar beneden te komen. In het slotnummer "Boy" zet Geoff de relaxte lijn van de rest van de cd door en sluit af met een ijzersterke song, waar deze cd trouwens vol mee staat. Acho, good on ya, mate!
RON

Twee "Gibson" gitaarhelden:
de 92 jarige Les Paul en Geoff Achison. (anno 2008)

Foto's: Nancy Lewis Pegel


Het Delta Groove label is één van de meest belovende nieuwe blues labels op dit moment, hetgeen u ook kan merken aan de recensies van vorig jaar. Maar ook zijn de cd's van dit label sinds vorig jaar nu ook gemakkelijk verkrijgbaar daar ze voor hun Europese distributie hun onderdak vonden bij het Nederlandse Coast To Coast (Inakustik). Zo verschenen vorig jaar reeds de geweldige releases van The Mannish Boys, Rod Piazza, Phillip Walker, The Insommiacs en vele anderen. Dit had natuurlijk zijn gevolg voor de The Blues Foundation die maar liefst 8 nominaties aankondigde voor de 2008 Blues Music Awards. Dit jaar zal deze 29th Annual Blues Music Awards doorgaan in het Grand Casino en hotel in Tunica, Mississippi op donderdag 8 mei 2008. Meer info op Delta Groove Productions en The Blues Foundation

2008 BLUES MUSIC AWARD NOMINEES:
BAND OF THE YEAR
The Mannish Boys
TRADITIONAL MALE BLUES ARTIST OF THE YEAR
Phillip Walker
SOUL BLUES MALE ARTIST OF THE YEAR
Jackie Payne / Jackie Payne Steve Edmonson Band
BEST NEW ARTIST DEBUT
The Insomniacs “Left Coast Blues”
INSTRUMENTALIST – BASS
Larry Taylor / Hollywood Blue Flames
INSTRUMENTALIST – DRUMS
Richard Innes / Mannish Boys, Hollywood Blue Flames
INSTRUMENTALIST – GUITAR
Kid Ramos / Mannish Boys
PINETOP PERKINS PIANO PLAYER OF THE YEAR
Honey Piazza / Mighty Flyers Blues Quartet

THE MANNISH BOYS
BIG PLANS

Deze superbluesband die grossiert in West Coast-, Texas- en swampblues was vorig jaar nog te zien op het Moulin Blues festival en hadden toen juist hun cd "Live & Demand" op de markt. Kid Ramos, Johnny Dyer, Finis Tasby, Kirk Fletscher, Richard Innes, Randy Chortkoff, Frank Goldwasser, Tom Leavey en Leon Blue vormen de ruggengraat. De gasten zijn o.a. Mitch Kashmar, Jody Williams en Jeff Turmes. Op het nieuwe album "Big Plains" brandt het vuur nog, al zijn sommigen van hen routiniers op leeftijd. Ondanks drie gitaristen speelt de band ingehouden, al maakte de jonge Kirk ‘Eli’ Fletcher eerder school bij Kim Wilson. Hij en collega Frank Goldwasser kunnen vlammen, maar doen dit misschien wat te weinig. Beheerst gespeeld en goed gezongen blijven de 15 nummers binnen de uitgestippelde blueslijnen, al bieden de Boys met incidentele blazers en gasten vertrouwd aandoende kwaliteit. Finis Tasby is zowat de spil van deze groep, Tasby's stem (hier op vijf tracks) weet duidelijk de bluessound van de jaren '40 terug te doen herleven en weet daardoor een zekere meerwaarde aan deze plaat te geven. Zo is hij te horen in de Texaans getinte opener "Border Town Blues", waar Kirk Fletscher de gitaarpartijen voor zijn rekening neemt en in de Chicago klassiekers "She's A Good 'Un" en "I Get So Worried". De andere vocale bijdragen komen van de krachtige harmonicablazer Johnny Dyer op twee tracks, Frank Goldwasser zingt op "I Can’t Stay Here", waarop hij naast het vocale ook slide- en rhythm gitaar speelt en Randy Chortkoff horen we in "Mine All Mine", waarin hij zoals ook op "Mary Jane" zijn diensten verleend op harmonica. Van de vocale gasten nemen Jody Williams en Bobby Jones ieder twee songs voor hun rekening. Jody Williams toont zijn zangtalenten in "Groan My Blues Away" en in het rustige "Young & Tender", een nummer van Randy Chortkoff, dit naast Bobby Jones, die we kennen als vocalist van de laat 50's groep The Aces, en die zich laat horen in "Mary Jane" en Howlin' Wolf's "California Blues". Het is niet gemakkelijk wat hoogtepunten te vermelden, vanwege de zeer hoge kwaliteit van alle songs, dan maar wat persoolijke favorieten en daarbij denk ik aan Goldwasser's roadhouse boogie "I Can't Stay Here", het door Randy Chortkoff geschreven "Young & Tender" en Tasby's "Walkin' Down Fillmore". The Mannish Boys is een all-star groep die covers en bewerkingen mooi laten afwisselen met eigen werk. De opnames zijn van uitstekende kwaliteit wat de songs alleen maar ten goede komt. Voor de productie zorgde Randy Chortkoff en voor deze man doen we ons petje af, want hij is degene achter dit fantastische project. "Big Plains" is wederom puur vakmanschap.

ROD PIAZZA & THE MIGHTY FLYERS BLUES QUARTET
THRILLVILLE

Rod Piazza, geboren op 18 november 1947 is zanger en bandleider en heeft al lang naam als één van de top bluesharmonicaspelers. Piazza groeide op in het zuiden van Californie. In zijn tienerjaren speelde hij veel in jamsessies met zijn idool en latere mentor Harmonica Smith. Hij wordt niet alleen geprezen voor zijn techniek maar ook voor zijn kennis en beheersing van alle bluesstijlen. Sinds 1979 is Piazza, samen met zijn vrouw, de aangenaam in het oog springende pianiste Honey, de drijvende kracht achter ‘Rod Piazza & the Mighty Flyers’. In hun sound worden de stijlen jump blues, Westcoast blues en Chicago blues gecombineerd. Hun wervelende shows, waarin Rod niet zelden een wandeling door het publiek gaat maken zonder ook maar een noot op de harmonica te missen, zijn hun handelsmerk. Waarvan we dit jaar tijdens het Moulin Blues festival in Ospel getuige mochten zijn (zie ook interview met Rod Piazza aldaar). Wanneer je met je band al drie keer een W.C.Handy Award 'Blues Band Of The Year' hebt gewonnen en zelf al eens de Handy voor 'Best Instrumentalist-Harmonica' in ontvangst mocht nemen, dan behoor je tot de groten in bluesland. Piazza is duidelijk geïnspireerd door de groten uit de Chicagobluestraditie als Little Walter en Sonny Boy Williamson. Op zijn nieuwe cd "Thrillville", de opvolger van "For The Chosen Who" (2005), beiden voor het Delta Groove Records label, laat hij weer staaltjes van zijn kunnen horen met als voortreffelijke begeleiders The Mighty Flyers, waarin naast zijn vrouw Honey (keyboards/zang) vooral gitarist Henry Carjaval een hoofdrol speelt. Maar voornamelijk producer Randy Chortkoff en zijn medeproducer Rod himself hebben kosten noch moeite bespaard om er iets speciaals van te maken. Chortkoff is trouwens de huisproducer van het label Delta Groove Productions. Het album verschilt van bezetting als op zijn andere platen. Naast Honey en Henry Carvajal is bassist Bill Stuve vervangen door Honey's thunder bass en drummer Paul Fasulo door Dave Kida. Verschuivingen waarbij we feitelijk Bill Stuve's stuwende baswerk wel wat missen. Bescheiden gastrollen zijn weggelegd voor Jonny Viau en Allen Ortiz op sax. Een nummers als "Stranger Blues" van Elmore James krijgt extra demensie vanwege de samenzang van Rod en Henry Carvaljo. Maar de meeste nummers zijn als vanouds met de gebruikelijke ingrediënten aanwezig, zoals de piano van Miss Honey in "Stranded", het slepende gitaarwerk van Henry Carvajal in "The Civilian" maar vooral het prachtige chromatische harpspel van Piazza blijft centraal op "Thrillville", waar naast de uptempo nummers en de ballads in hun gebruikelijke Chicagoblues en swing, nu ook plaats gemaakt is voor funk in "MFBQ" met het prachtige saxspel van Jonny Viau. Kortweg: Zelfs na veertig jaar ziet Rod kans de stijlen van George Smith en Little Walter verder te perfectioneren. Zolang de blues in handen is van artiesten als hij, hoeven we ons over het uitsterven ervan echt geen zorgen te maken.

THE INSOMNIACS
LEFT COAST BLUES

Een nieuwe bluesband uit Portland, Oregon onder leiding van de jonge gitaarwizard Vyasa Dodson, een 25 jarig kereltje dat ook nog behoorlijk kan zingen, Alex Shakeri is lekker bezig op diverse keyboards waaronder mijn geliefde Hammond B3, Dean Meuller is een meester op de bas en Dave Melyan is meer dan een doordeweeks drummertje. Deze heren ademen 50's swing en jump en zijn West Coast van kop tot teen. Losjes uit de pols spelen ze evengoed rock & roll: "Watch Your Mouth", slowblues: "Stuttering Blues" en natuurlijk behoorlijk wat swing. De bekende West Coast muzikanten hebben hier en daar nog wat laten liggen zo te horen, en hieruit distilleren de Insomniacs nu hun "Left Coast Blues", en dat is tegelijkertijd de "Right Coast Blues" als je het mij vraagt, want hoewel het genre vol gevaarlijke valkuilen voor herhalingen zit is de enige her-, her- her-, herhaling hier de komische stu- stu- stuttering blues die door Vyasa op meesterlijke wijze vertolkt wordt. Wat vooral opvalt is ook dat de Insomniacs een hechte band zijn, geen geduw met de ellebogen om in de spotlights te staan, neen, een goed geoliede machine is de band, en het vlotte, gemakkelijk in het gehoor liggende geluid is een waar plezier om je aan over te geven. "Wrong Kinda Love" is zo'n song, waar het heerlijke Hammond geluid en de stem van Vyasa een homogene bluesy earcandy vormen. Ja, Delta Groove blijft als vanouds kwaliteit uitbrengen, ook deze keer weer. Hoe de Insomniacs live de boel op stelten kunnen zetten horen we in de twee bonus songs "Serves me Right" en "No Wine, No Women", en als je dat gehoord hebt kan ik maar één woord zeggen. Peer, en geen woord méér.

JACKIE PAYNE STEVE EDMONSON BAND
MASTER OF THE GAME

Laat ik beginnen bij het begin en wel bij Jackie Payne, deze man heeft in zijn verleden samen gewerkt met groten zoals Albert Collins, Lowell Fulson, T-Bone Walker en nog vele anderen. De laatste 15 jaar fungeerde hij als frontman van de Johnny Otis Revue. Steve Edmonson dan, hij heeft z’n talent geleend aan groten zoals Van Morrison, Luther Tucker en nog vele anderen. De laatste 4 jaar was hij ook vast lid van de Dynatones. En nu hebben deze heren hun krachten en talenten gebundeld en het resultaat noemt ‘Master Of The Game’. Een cd die de soulvolle stem van Payne ondersteund ziet door de Chicagostijl van Steve Edmonson op gitaar. Alvorens dit debuut op te nemen hebben de heren eerst zowat heel de wereld rond getourd en optredens verzorgd op de meeste grote festivals. Op het hooftepunt van hun live-sterkte trokken ze dan de studio in om die livesfeer zo goed mogelijk over te brengen. En het resultaat, een cd vol met soulsongs en lekkere catchy songs, mag gehoord worden. Stel je voor, een stem die klinkt als Wilson Picket, dan weer als Otis Redding ondersteund door toch wel een band die draait als een diesel op volle toeren kan niet slecht zijn. Songs als ‘Mean Evil Woman’ of ‘Sweet Landlady’ gaan erin als zoete broodjes. Uitschieters zijn er moeilijk te noemen daar elke song wel zijn persoonlijkheid heeft en voorzien is van arrangementen die dadelijk blijven hangen. Dit is een cd die van begin tot einde blijft boeien en waar je dadelijk een goed gevoel bij krijgt. En de credits hiervoor zijn zeker niet alleen weg gelegd voor Payne en Edmonson maar zeker ook voor de klasse ritmesectie, het mooie werk op piano en de warme klanken van de blazerssectie. Deze cd is zeker de moeite waard om aan te schaffen, wat mij betreft zonder te beluisteren op voorhand. Dit is geen kat in de zak.

THE HOLLYWOOD BLUE FLAMES
ROAD TO RIO
(THE HOLLYWOOD FATS BAND "LARGER THAN LIFE")

Dat de hedendaagse West Coast blues scène zeer rijk is aan blues talenten, dan kunnen we die zeker terugvinden in de West Coast super groep die hunzelf The Hollywood Blue Flames noemen, de omgedoopte groep waarin gezichtbepalende gitarist Kirk ‘Eli’ Fletcher de plaats inneemt van de overleden naamgever. The Hollywood Blue Flames zijn dus wel degelijk de originele Hollywood Fats Band (Al Blake, Fred Kaplan, Richard Innes, en Larry Taylor) zonder Fats natuurlijk, die zeer tragisch stierf op amper 32 - jarige leeftijd. De originele Hollywood Fats Band LP (1979) is ondertussen een klassieker geworden van de West Coast blues en laat uitbundig de talenten zien van wijlen Hollywood Fats. Plaatsvervanger Fletcher, is één van de jongere generatie spelers, en was reeds te horen op allerlei West Coast platen van o.a. Al Blake, Lynwood Slim, Junior Watson, Jimmy Morello en niet te vergeten, Kim Wilson. Fletcher maakte zijn debuut in 1999 met "I'm Here & I'm Gone" voor het JSP label en in 2004 verscheen zijn prachtige album, "Shades Of Blue" op het Delta Groove label. Met hun debuut "Soul Sanctuary" (2005), hun reünie-album, brachten ze een van de beste albums van dat jaar op de markt. Als u dus weet dat u in The Hollywood Blue Flames de absolute top van de West Coast blues veteranen spelen, weet u dadelijk wat u te wachten staat, op de lang verwachte opvolger "Road To Rio", met als speciale gasten Kim Wilson en Jr.Watson. De bonus cd bevat legendarische live opnamen uit de jaren '70 van de band in zijn originele bezetting. "Road To Rio", bestrijkt wederom een groot scala aan bluesstijlen, gaande van jumpblues via boogie woogie tot Chicago Blues, de Hollywood Blue Flames beheersen ze allemaal. Ook in hun teksten hebben zij aan bluesthema’s genoeg, maar er sijpelen toch wat moderne, persoonlijker elementen door dan bij sommige andere traditionele bluesbands. Al Blake heeft een zeer soulvolle stem en met de openende titeltrack "Road To Rio", is de toon van dit album meteen ingezet. Dit nummer, samen met "Steady Rollin'", waren feitelijk co-written door Hollywood Fats en Blake, maar nooit opgenomen. Maar er is meer moois te ontdekken: zoals de Hooker achtige boogie "Everybody’s Blues", de 'downhome' "Coffee Grindin' Man", Fred Kaplan's 'Big Chief' New Orleans getinte instrumentaal "Gumbo Grinder", natuurlijk op zijn boogie woogie piano en de krachtige stem van Al Blake, samen met akoestische gitaar in het country blues nummer "Gone Away" met tevens ook uitstekend harmonicawerk van Kim Wilson. Met de instrumentaal "3rd Degree Burn", maakt Fletcher wel degelijk duidelijk dat hij de geknipte gitarist is om in Fats' schoenen te staan. Ander hoogtepunt is L.C. McKinley's "Sharpest Man In Town", met een prachtige sax bijdrage van Tom Fabre. Na deze twaalf tracks zijn er nog drie bonus tracks, met als gast Junior Watson. Beginnende met "Junior’s Boogie Rocket", een West Coast swingende instrumentaal met als uitblinker bassist Larry Taylor op zijn doghouse bass. Van deze drie afsluiters gaat echter mijn voorkeur naar Willie Dixon's "Let Me Love You" met Blake op harmonica en vocals. De bonus cd "Larger Than Life" bevat legendarische live opnamen uit de jaren '70 - '80 van de originele Hollywood Fats Band, hun eerste nieuwe release in 30 jaar als het ware, en dit met 'special guests' Eddie "Cleanhead" Vinson en Roy Brown. Fats vocale debuut is hier te horen op "Nasty Boogie Woogie". Eerste gast Eddie "Cleanhead" Vinson voegt zich bij de band op zijn eigen twee nummers: "Kidney Stew" en "Cleanhead Blues", opgenomen tijdens het Monterey Jazz Festival in 1979. De overblijvende tracks komen van een optreden in het White House in Laguna Beach in 1980: nl. "Shake Rattle And Roll", Billy Boy’s "Rockinitis" en A.C.Reed's "This Little Voice". De twee volgende vocale tracks met als gast Roy Brown zijn "Love For Sale", een nummer over een mannelijke prostitué en het springende T-Bone-getinte "Boogie Woogie Blues". Het afsluitende "Motel Time" zorgt er voor dat verveling geen kans krijgt tijdens deze 61 minuten tellende live-opnamen. Kortweg: De swing roert in een heksenbrouwsel van vakmanschap en respect voor de meester zelf. Dat de vingerbezetting feilloos is, hoeft geen betoog. Je voelt gewoon op deze twee schijfjes alle binnenpretjes die deze rasmuzikanten in zich dragen.

PHILLIP WALKER
GOING BACK HOME

Oude rot Phillip Walker (geboren in 1937 in Louisiana) laat ons eventjes merken dat hij nog lang niet uitgeschakeld is en laat ons met zijn nieuwe schijf "Going Back Home" nog eens een stevig poepje ruiken. Na al die jaren dat Walker met zijn band al aan de weg timmert, heeft zijn muziek nog niet ingeboet aan overtuigingskracht. Dit ondanks het feit dat de bezetting in de loop der jaren al vele malen is veranderd. Dit nieuwe klasse-werkstukje van de heer Walker swingt dat het een lieve lust is. De legendarische Gulf Coast gitarist is mede bekend geworden door het feit dat hij een goed oor had voor jong talent. Oneindig is de rij bluesmuzikanten die in zijn band tot volle wasdom kwamen. Robert Cray was ongetwijfeld het belangrijkste talent dat onder Walker's toezicht kon rijpen, en die hem aan zijn grote hit "Don’t Be Afraid Of The Dark" hielp. Zelf speelde Walker in de vijftiger jaren mee op de platen van Roscoe Gordon en Clifton Chenier. De ontmoeting met deze koning van de zydeco was in feite het begin van Walker's carrière. Reeds van in zijn vroege jeugd was hij muzikaal beïnvloedt door de cajun muziek en was T-Bone Walker zijn grote voorbeeld. Zijn nieuwe album "Going Back Home" is een ijzersterke plaat, waarop de man die nog niet eens zo heel lang geleden door het tijdschrift 'Guitar Player' werd geschaard onder de tien beste bluesgitaristen van het moment grossiert in overtuigende bluessongs. Songs die de sfeer van het diepe zuiden van de Verenigde Staten ademt en waarin Walker terugkeert naar zijn roots. Na de echte hoogtepunten gehad te hebben einde zestiger/begin zeventiger jaren heeft Walker een lange mindere periode gehad waarna hij begin negentiger jaren opkrabbelde en met een aantal respectabele platen ("Phillip Walker & Otis Grand", 1992 - Working Girl Blues, 1995 - I've Got A Sweet Tooth, 1998) terugkeerde. Eigenlijk is het niveau sindsdien niet meer ingezakt met als gevolg dat ook "Going Back Home", zijn debuut voor Delta Groove Label, weer goed te verteren is. Waarschijnlijk zal hij nooit meer zo baanbrekend zijn als vroeger maar het niveau van muziek op deze plaat kan mij wederom bekoren. Lekkere nummers met prettige muzikale omlijsting maakt dat "Going Back Home", weer regelmatig een rondje zal maken in mijn speler. Ondersteund door enkele muzikale vrienden zoals: Rusty Zinn (gitaar), Jeff Turmes (bas), Richard Innes (drums), Fred Kaplan (piano), James W. Thomas (bas), Rob Rio (piano), Al Blake (harmonica) en David Woodford (tenor sax) laveert Walker (vocals, gitaar) doorheen dertien schitterende songs en dit in een mix van West Coast, Louisiana en Texas blues. Het repertoire bestaat uit materiaal van o.a. Lowell Fulson, Ray Charles, Lonesome Sundown, Lightnin’ Hopkins, Frankie Lee Sims en van producer Randy Chortkoff. Naast Lightnin Hopkins' "Don’t Think ‘Cause You’re Pretty" behoren Chortkoff’s nummers, "Lay You Down" en "Honey Stew" tot de uitschieters van deze plaat. Op dit laatste nummer is Walker enkel vocaal te horen, en weet Rusty Zinn zich met zijn gitaarwerk mooi te onderscheiden. Alle aspecten van de afgelopen jaren komen voorbij: zijn heerlijke gitaarwerk en zijn warme stem die voornamelijk in "Mama Bring Your Clothes Back Home" een nummer van Lowell Fulson en "Blackjack" een nummer van Ray Charles het best tot uiting komen. Liefhebbers van de betere bluesmuziek kunnen nog altijd niet om deze oude rot heen, en weten nu denk ik wel genoeg.

.