SAM LEE & FRIENDS (SUPPORT: BELEM) @ CC DE SPIL, ROESELARE - 18/12/16

‘Wat is die Molly lovely… Je kan een speld horen vallen. Krop in de keel, tranen in de ooghoeken, einderloze melancholie verpakt in een gulden schrijn. Hier doet Sam Lee het voor. En wij ook’

Is er een muziekgenre méér beschimpt, gepekt en gevederd dan ‘folk’? Hoe ‘niche’ kan je zijn! Dat zal dan wel allemaal zijn redenen hebben, maar je hoeft echt geen bepaald type sokken te dragen om goeie folk, als zijnde goeie muziek tout court, op prijs te stellen. En het wordt helemaal interessant wanneer klassenrijke muzikanten op een hedendaagse manier omgaan met een traditie waar ze tegelijk het volle respect voor betonen, een moeilijke evenwichtsoefening. Er is een generatie aan het werk die op verschillende wijze de zoektocht naar verleden en toekomst, én naar zichzelf beleeft en uitdrukt. Denk aan The Gloaming (‘The Gloaming’ en ‘2’), Ben Glover (‘The Emigrant’), Seth Lakeman (‘Ballads Of The Broken Few’) Een heel boeiende exponent van deze ‘filosofie’ is Sam Lee, die zijn uitgebreide concerttoer door Nederland en België afrondde met een concert in het prachtige CC De Spil in Roeselare.

De avond begon echter met Belem, het samengaan van Didier Laloy, diatonisch accordeon, en Kathy Adam, cello. De twee kennen mekaar al zo’n 25 jaar, waarin ze vaak samen speelden in groepsverband, maar nooit in duo. Dat veranderde met de cd ‘Belem’ uit 2014, die meteen ook de naam voor het tweetal verschafte. De cd bevat Didiers eigen songs, die het duo samen gearrangeerd heeft. Titelnummer Belem heeft blijkbaar toch niets te zien met de stad in Brazilië maar eerder met een wijk in Lissabon… Hoewel je nooit zeker bent met een lolbroek als Didier Laloy die graag dolt met songtitels… en met zijn publiek. Hij pakt graag uit met zijn hilarische ‘dialect van het Nederlands’, het ‘Dinants’. Het is minder geïmproviseerd dan het lijkt. We zagen hem eerder op het jaar met ditzelfde repertoire, dan wel solo, tijdens de veel te mager bezochte showcase van het Luikse label Homerecords in De Centrale in Gent.

Andere labelartiesten namen er deel aan: Photis Ionatos, Dan Barbanel en Melike om ze niet te noemen, met elk een uitstekende beurt… Jammer dat zo weinigen het zagen. De grappen en commentaren van toen zijn dezelfde gebleven, maar ze werken, en ze bieden verademing tussen de intense nummers. Je ziet Didier en Kathy genieten van mekaars inleving in de grillige, vaak heftige composities. Dat sluit dikwijls aan op de achtergrond van het stuk: zo is ‘Marche de Lou’ de uitbeelding van de onhandige handel en wandel van Didiers toen éénjarig zoontje. In ‘Scampavita’ gooit Didier zijn folkbenadering in de strijd tegen klassieke Kathy die haar ‘goede vriend Antonio Vivaldi’ mee in de strijd werpt. De uitleg die we krijgen bij ‘Lisbonne’ behelst een kathedraal, een paus en een massage, maar de pointe laten we graag voor rekening van Laloy, net als de ‘explicatie’ over wat een ‘Legotragédie’ eigenlijk is. ‘Belem’ sluit met enige plechtstatigheid af, maar het terechte bisnummer (‘Youplaboum’) slaat wild om zich heen. Belem deed ons in zijn speelse virtuositeit ook hier weer denken aan het grote Russische balalaikakwartet Terem…  

Sam Lee & Friends hadden wat te vieren, wat hen, zoals dat vaak is bij het afsluiten van een periode, evenzeer vreugde als verdriet bracht. Niet alleen was dit het laatste concert in de toer door de lage landen, maar na dit concert zou het kwartet voor onbepaalde tijd stoppen met concerteren (en dat na een jaar van ruim honderd shows…) De enige datum in de kalender voor 2017 is 13 april voor de bijzonder actie in het zuiden van de UK, ‘Singing With Nightingales’. De sabbatical die nu uitgaat zal ongetwijfeld leiden tot nieuwe projecten, want momentum heeft Sam Lee beslist. Sam (°1980) groeide op in Dalston in noordelijk Londen. Niets wees erop dat hij in de muziekwereld zou belanden. Hij werd namelijk specialist in survival, uiteraard buiten de UK. De omslag kwam er in 2008 toen Sam de Schotse volkszanger en meester-verteller Stanley Robertson leerde kennen. Robertson was een zogenaamde Traveller, een gypsy. Lee vernam dat de vier grote zigeuner gemeenschappen van de Britse eilanden zo ongeveer de enigen waren die de muzikale tradities van de sedentaire Britten, Schotten en Ieren bewaard hadden. Want die laatsten ‘vergaten’ hun eigen verleden onder druk van de ‘vooruitgang’ en, als zigeuners ooit al dieven waren, dan was het van die oude ballads, zo stelde folkzangeres June Tabor al vele jaren geleden. Er ging een magische wereld voor Sam Lee open. Robertson stierf al in 2009, 69 jaar oud, maar in dat jaar leerde Lee alles wat de man hem in die tijd kon aanreiken van oude ballades. Lee ging zelf op pad als een hedendaagse Alan Lomax.

Lee verzamelde passioneel en onverdroten een onschatbare schat aan liederen, richtte een vereniging op om die schat te beheren en door te geven, The Nest Collective, dat dan weer instond voor allerlei promotionele evenementen. Gelukkig voor ons bleef zijn inzet niet beperkt tot de theorie: in 2012 bracht hij een eerste cd uit ‘Ground Of Its Own’ met liederen die Stanley Robertson en heel veel anderen verzameld of voorgezongen hadden, of die hij zelf genoteerd had. Maar hij besefte dat het ging zin had die vormgetrouw op een geluidsdrager te zetten: de veldopnames waren vaak niet te overtreffen, je kon eigenlijk weinig meer dan ze minder goed nadoen en er was ook het besef dat een volgende generatie niet geboeid zou zijn in dergelijke doorslagjes. Hij besloot de songs hedendaags te maken, maar zonder aan de kern te raken: die is hoogheilig. Maar verder kan alles: exotische instrumentatie, ongewone arrangementen, het gebruik van samples. Op ‘Ground Of Its Own’ was het nog een evenwichtsoefening, dan wel een zeer gesmaakte want het album kreeg aandacht van media en publiek, kwam in aanmerking voor prestigieuze prijzen en zette Sam Lee meteen op de kaart als een aanstormend talent.

Opvolger ‘The Fade In Time’ (2015) verfijnde de werkmethode en toont gloedvol welk prachtig huwelijk er kan ontstaan tussen stokoude traditionals en moderne arrangementen, gespeeld met akoestische instrumenten uit de hele wereld. Op cd heb je natuurlijk meer mogelijkheden maar live moest Lee zijn ‘friends’ beperken tot drie: violiste Flora Curzon, percussionist Josh Green en multi-instrumentalist John Whitten op ukelele, piano en Mongoolse dulcimer (=soort cembalon of trapezevormig met hamertjes bespeeld hakkebord) zijn niet alleen uitmuntende musici, maar bezitten ook heerlijke stemmen. Sam Lee zelf bespeelt af en toe de mondharp en vrij vaak de shruti box, het eenvoudige harmonium met baasbalg dat je weervindt in Indische en Pakistaanse muziek. Het oogt niet spectaculair en het blijft ook behoorlijk verstild, maar binnen die verfijning krijgen de ballades een make-over die de vaak briljante teksten helemaal doet uitkomen.

Daar liet het gezelschap geen twijfel over bestaan: het behoorlijk triestige liefdeslied ‘Over Yonders Hill’ begint wel als een weeklacht, maar wanneer Green er een hoogst aanstekelijk ritme onder steekt, krijgt de song er een dimensie bij, zonder dat de inhoud verloren gaat. De drie gezellen zullen de hele tijd hun werk plichtsgetrouw doen, maar nooit enige aandacht opeisen. Ook niet nodig: Lee heeft een warme en meteen vertrouwde stem die de liederen de juiste emotie meegeeft. Puristen zullen vragen hebben bij zijn interpretatie, maar de zangers van wie hij de songs overnam zongen ook maar zoals ze gebekt waren. Ook het volgende ‘Moorlough Maggie’ heeft hij gehoord bij zangeres Amy Birch en bij zijn leermeester Stanley Robertson, die het zelf oppikte van een oude dame, Maggie Stewart, die als enige nog sommige van de fraaiste liederen bleek te kennen. Een ander aspect van Sams performance komt boven, de manier waarop hij de stukken duidt en inkleedt. Hij doet dat met goed gekozen woorden, maar uit elk woord straalt het ontzag voor en de liefde tot die antieke schatten. Je merkt ook dat hij gretig is om ze uit te voeren en zijn blikken verraden het genoegen waarmee hij ze tot leven brengt. Want dat is het wat hij doet: de songs nieuw leven inblazen.

De parels volgen elkaar op: ‘Bonny Bunch Of Roses’, het prachtig ingeleide en ingetogen gebrachte ‘Airdog’, het minstens achthonderd jaar oude en wijd verbreide ‘Lord Gregory’ (ruim honderd strofen vond Robertson, maar die hield het ook al op de vier die essentieel zijn om deze opnieuw zo tragische liefdesklacht ten volle te begrijpen) De drie ineengevlochten songs die ‘Wildwoord Amber’ vormen worden op de cd geplaatst tegenover het hoogromantische ‘Méditation de Thaïs’, overbekend opera intermezzo van Jules Massenet, in een zalig krakende opname van… 1919, maar op toneel gebruikt Lee geen samples, wellicht om het live karakter niet te verbreken. ‘Blackbird’ krijgt een uitgesproken oosterse toets mee, en via de water drum komen plots vele culturen bijschuiven, in ‘Phoenix Island’ met zijn indringende herhaling van de naam mogen we meezingen en dat schept een onwezenlijke sfeer in deze grote zaal, die helaas slechts matig gevuld is. ‘Goodbye My Darling’ is dan toch nog iets uit zijn eerste cd: de pijn van de verbanning naar het Australische strafkamp straalt uit de song, waarin Lee compleet onverwacht een stuk tuvaanse keelzang inschuift.

We hebben dan al een uitvoering gekregen van het slotnummer van ‘The Fade In Time’, het ontroerende ‘Moss House’: Sam Lee heeft enkel Whitten bij zich die op de piano enkel sobere accenten aangeeft. Als zangprestatie kan het tellen. We zouden dit ‘Moss House’ beslist als het hoogtepunt van de avond hebben beschouwd, ware het niet dat we nog een bisnummer te goed hebben. En wat kan dat anders zijn dan het voorlaatste nummer van de cd, ‘Lovely Molly’. De vier komen weer op, gaan zonder instrumenten gans vooraan aan het podium staan en brengen zonder versterking het liefdeslied van een eenvoudige boerenjongen aan zijn Molly, a capella, vierstemmig en uiterst precies. Wat is die Molly toch lovely… De ‘bonjour tristesse’ van het lied komt hier volledig tot haar recht: de jongen gaat vechten in het leger van King James, vermoedt dat hij nooit zal weerkeren en wenst haar een man toe die haar half zo graag ziet als hij dat deed. Maar hoop doet leven: ‘But if I ever return again it’ll be in the spring / Where the mavis and the turtle doves and the nightingale sing’. Je kan een speld horen vallen. Krop in de keel, tranen in de ooghoeken, einderloze melancholie verpakt in een gulden schrijn.

Hier doet Sam Lee het voor. En wij ook… Volgende maal een volle zaal?

Antoine Légat.



 

 

 

 

 


 

Artiest info
website  
facebook  

CC DE SPIL, ROESELARE - 18/12/16