MARTIN HARLEY @  ARSCENE, HANSBEKE - 13/04/18

 

‘Harley bleek niet alleen een bolleboos op gitaar en zo mogelijk nog meer op de Weissenborn, maar ook een gedegen songschrijver, een aangename prater, een fijnbesnaarde humorist en in de omgang een vriendelijke man…’

Het ziet ernaar uit dat de aanwezigen nog jaren zullen praten over het concert dat Brit Martin Harley op vrijdag 13 april in Arscene ten gehore bracht. Want Harley bleek niet alleen een bolleboos op gitaar en zo mogelijk nog meer op de Weissenborn, maar ook een gedegen songschrijver, een aangename prater, een fijnbesnaarde humorist en in de omgang een vriendelijke man, een Britse gentleman, die off stage maar wat graag verder praat over zijn en andermans muziek. Ook dat geeft in Arscene, dankzij de gezellige foyer, altijd een meerwaarde. Maar het is wel degelijk dit optreden buiten categorie dat zal bijblijven. Het spreekt vanzelf dat zo’n performance niet uit de lucht komt gevallen. Harley is geen huishoudnaam maar voor de liefhebbers van verfijnd snarenwerk is de man stilaan een begrip, in het spoor van zijn helden. Het is nu vijftien jaar geleden dat zijn eerste plaat verscheen. In oktober 2011 deed hij met zijn Martin Harley Band de Banana Peel in Ruiselede aan, een passage die we niet licht zullen vergeten, want ook toen al wist hij danig te bekoren. Verleden jaar speelde Martin Harley, ook al solo, op het Festival Dranouter, meer bepaald in de kerk, in de late namiddag van 4 augustus. Hij maakte er diepe indruk. Pieter De Meyer aarzelde niet om bij zijn schoonvader Wouter Labarque, de majordomo ofte concertmeester van Arscene, te pleiten om Harley in het drukke programma van de vzw in te schuiven. Voor zulke tips spitst Wouter de oren en dus het was geen wonder dat we vrijdag de dertiende Harley te zien kregen in Arscene, dat intussen volop in zijn negende werkingsjaar zit. Het paste netjes in zijn toerschema. Dat er in het publiek ook meerdere mensen zaten die het optreden in Dranouter hadden meegemaakt, zal wel geen toeval geweest zijn.

Harley is dan wel geboren in Cardiff, Wales (1975), zijn ouders verhuisden al snel naar Surrey. Wellicht zou hij een elektrisch gitarist gebleven zijn van dertien in een dozijn, had men hem niet gewezen op het bestaan van Dav(e)y Graham (die hij ook aan het werk zag, als we dat goed begrepen hebben) en John Martyn, twee folk geïnspireerde akoestische gitaarreuzen die de muziek revolutioneerden door hun speelstijl, wat ook het geval was bij lieden als John Renbourn, Martin Carthy en Bert Jansch, om het maar bij die te houden. En als songwriter is de invloed van John Martyn nog breder. Harley benadrukt in de loop van het concert dat het hem heel wat inspanning kostte om een peil te bereiken dat volgens hem toch niet gans verbleekt tegenover dat van zijn helden… Van die ‘Britse school’ was het maar een kleine stap naar de oude Amerikaanse bluesartiesten die de gitaar op toen onorthodoxe manier bespeelden. Het maakt dat Harley’s stijl niet te omschrijven valt: hij schakelt met sprekend gemak van folk naar blues, country en andere stijlen die men gemeenzaam aanduidt met ‘roots Americana’. Etiketjes hebben geen belang: Harley maakt er sublieme muziek mee die zowel de leek behaagt als de kenner overtuigt, en dat is lange geen vanzelfsprekende combinatie. Hij vermeldt nog een artiest die invloed op hem uitoefende, Kelly Jo Phelps, en laat dat precies zo iemand zijn die erin slaagt de brug te maken tussen kwaliteit en breed entertainment.

Harley verdeelt zijn aandacht ongeveer gelijkmatig tussen solo of met de Martin Harley Band spelen. Sinds 2015 zijn er de concerten bijgekomen met Nashville (contra)bassist Daniel Kimbro met wie hij zijn laatste twee platen inblikte: ‘Live At Southern Ground’ werd in de studio in één keer opgenomen alsof het een concert was, kort na hun ontmoeting. Kimbro speelde met vele groten, zoals dat gangbaar is bij topbassisten, maar de laatste jaren trekt hij vaak op met een andere gitarist, Jerry Douglas, wereldvermaard specialist van de resonator gitaren, akoestische gitaren met natuurlijke klankversterking. Douglas doet trouwens in één nummer mee op de studioplaat van Harley met Daniel Kimbro ‘Static In The Wires’, die verleden jaar verscheen. Natuurlijk speelde Harley in Arscene songs van die recentste cd, maar hij stelt nooit een playlist op als ie solo speelt en brengt wat op dat moment in hem opkomt, een associatief proces blijkbaar, ofwel gaat in op verzoekjes. Het was in Arscene niet anders: hij dwaalde doorheen oud en nieuw.

Velen zijn vanzelfsprekend geïntrigeerd door de Weissenborn, een platliggend, met een bottleneck, soort flessenhals, en met vingerplectrums bespeelde gitaar… Al is het in de strikte zin geen gitaar, want de uiteraard holle klankkast loopt door tot aan de nek. Een in Californië levende Duitser, Hermann C. Weissenborn, ontwierp ze rond 1920 voor de Hawaïaanse muziek, waarvoor ze ook gebruikt werd en wordt (zoals we dat kennen van ‘Chicken Skin Music’ waarop Ry Cooder de uit Honolulu afkomstige slack key gitarist Gabby Pahinui een ereplaats gaf) Maar de specifieke klank zorgde ervoor dat de Weissenborn ook bij Hawaii verspreid raakte. De meeste muziekliefhebbers ‘ontdekten’ de Weissenborn via Ben Harper, maar ook Daniel Lanois, David Gilmour en… onze Bobbejaan Schoepenwaren ermee in de weer. Etnomusicoloog en virtuoos Bob Brozman (overleden in 2013) mag men zien als de alomvattende specialist van Weissenborn, resonator- en steelgitaren. Martin Harley moet, ondanks zijn oprechte bescheidenheid, niet onderdoen voor de vermelde kanjers.

Nog voor hij één noot gespeeld heeft, toont Martin zich van zijn meest charmante kant als hij kokkin Katrien dankt voor het overheerlijke eten vooraf. Hij is met die lof lange niet de enige artiest hier in Arscene, maar meestal volgt het bedankje in de bandpresentatie aan het eind van het concert. Maar ‘ladies first’ is geen ijdel begrip voor Martin. Een paar kwinkslagen gaan opener ‘One For The Road’ vooraf en ronden het ook weer af. Dat zal bij de meeste songs zo gaan. Er zitten natuurlijk wel grappen bij die hij al eerder gefinetuned heeft, maar hij speelt met evenveel gemak en gevatte humor in op de publieksreacties. Tegen het einde van het concert lokt hij zelfs vragen uit, omdat hij weet dat het hem de kans geeft iets meer te zeggen over de Weissenborn, over zijn helden en alles wat zijn publiek zich afvraagt. Op die manier is hij zeker dat zijn toehoorders ook inzicht krijgen in wat ze nu eigenlijk te horen krijgen. Tja, die opener… Na de laatste noten van ‘One For The Road’ is het voor iedereen zonneklaar dat er wel een héél bijzonder muzikant vóór hen op het podium staat. Maar je krijgt nauwelijks de kans om dit te verwerken. Met ‘When I Go’ schakelt hij over op stoffige, ongepolijste vooroorlogse (voor WOII dus!) country blues, waarbij hij de Weissenborn heerlijk laat rammelen.

One Horse Town’ geeft hem de kans te vertellen over het kleine dorpje waar hij naartoe verhuisde in een mislukte poging om in een oase van rust een sober leven te gaan leiden. Hij werd gek van verveling in deze negorij van welgeteld tien mensen… en één paard, maar hield er een song aan over, de vlotte opener van ‘Static In The Wires’. ‘Automatic Life’ brengt hij met de akoestische gitaar, een meer klassiek instrument waar hij vanzelfsprekend ook waanzinnig virtuoos mee omgaat. Het nummer staat op ‘Live At Southern Ground’ en laat horen welk een uitstekend zanger hij is. Verzoekje ‘Winter Coat’ is een oud nummer dat hij voor het eerst opnam op de tweede band plaat, ‘Drumrolls For Somersaults’ (2010), maar het staat ook op ‘Southern Ground’ te schitteren. Het is op het eerste oor een onopvallende song, maar de tekst is vertederend knap. Met elke beluistering groeit dit intieme liefdesliedje, over een wandeling met twee in de regen onder één regenjas, zijn ‘winter coat’, doorheen de Northern Lanes, zoals de blijkbaar romantische kronkelpaadjes heten die kustplaats Brighton doorkruisen. In Arscene werkt de ontroering die ‘Winter Coat’ oproept meteen.

Voor het volgende lied neemt hij weer de Weissenborn op de schoot en dat zullen we geweten hebben, want we krijgen het hoogtepunt van het concert geserveerd. Een trektocht naar Australië in zijn jonge jaren verliep desastreus. Volledig aan de grond nam hij in Melbourne een job aan als… kok in een … nonnenklooster… Hilariteit alom, maar het moet een traumatische ervaring geweest zijn. ‘It’s a song in D minor, the saddest of all keys’, zoals hij bewijst. Aan die rottijd hield hij een song over, ‘Blues At My Window’. Is het begin van die song hoor je ingetogen verdriet, wat Martin zo knap fraseert, maar net als je denkt te verdrinken in het tranendal, barst de song kolkend en ziedend open in een orgie van zang en muziek. De emoties gaan door merg en been, als Harley alles uit de (klank)kast haalt. Je blijft als luisteraar verweesd achter bij zoveel intensiteit, al stelt iemand na een korte pauze toch een vraag die bij velen op de lippen brandt: ‘Did you play it for the nuns?’ Martin antwoordt fijntjes dat hij op een dag zal terugkeren naar dat klooster. Uit de diepste miserie bloeien vaak de mooiste dingen op. Met het antidotum van het luchtige ‘Honey Bee’ (zalige fingerpicking) en het ondanks zijn ernstige ondertoon gracieuze ‘Dancing On The Rocks’ sluit het eerste deel af. Die laatste song bevat de zinsnede ‘Static In The Wires’, die de titelsong werd van zijn meest recente cd. Tijd om te bekomen bij pot en pint.

Het tweede deel start met drie songs op de Weissenborn: ‘Drumrolls For Somersaults’, ‘Cardboard King’ en ‘Trouble’ laten nog eens horen dat Harley een uitstekende songsmid is. ‘Cardboard King’ kwam er na een reis door India en Nepal. Hij maakte er kennis met een Indisch instrument dat veel weg heeft van het zijne, de Mohan Veena slide gitaar (die bekend werd via V.M. Bhatt & Ry Cooder op de cd ‘Meeting At The River’) Martin laat de Weissenborn daadwerkelijk klinken als een Mohan Veena, met de krullen en fiorituren die men associeert met Indisch klassiek. Op de gitaar weerklinken dan weer ‘Money Don’t Matter’ (titelsong van zijn eerste cd met zijn band) en ‘Postcard From Hamburg’, ongetwijfeld de meest charmerende song van zijn laatste cd. Hij sluit het concert af met de Weissenborn: ‘Feet Don’t Fail Me Now’ van de laatste is nog zo’n pittige deun, waar hij dan lekkere patroontjes bij tovert, bedrieglijk eenvoudig allemaal en duidelijk verwijzend naar de eerste helft van vorige eeuw. Daar sluit het einde helemaal bij aan. Traditional ‘(It’s) Nobody’s Fault But Mine’ zal voor eeuwig verbonden blijven aan de eerste opname ervan, door Blind Willie Johnson in 1927, met diens rauwe stem en slide gitaar. Harley maakt er een grootse afsluiter van, niet zonder eerst te vermelden dat het zowat de ‘story of my life’ is. Voor wie niet, Martin?

Vanzelfsprekend laat men hem niet zomaar gaan. Een trage uitvoering van ‘Goodnight Irene’ van Leadbelly legt nog eens de nadruk op het immense verdriet dat spreekt uit de songtekst, iets wat nooit doorklinkt in de snelle, vrolijke versies van deze oer-klassieker. ‘Lord I Just Can’t Keep From Crying’ is opnieuw van Blind Willie Johnson (al was hij in dit geval niet de eerste uitvoerder) Zo eindigt deze onvergetelijke avond als één lange hommage aan de vroege blues. De foyer bleef nog lang open. Maar dat hebben we van horen zeggen. Wat we wel zelf vaststelden is dat dit concert de mensen bijzonder gelukkig stemde, geen overbodige luxe in deze sombere tijden. We hopen vurig dat hij snel nog eens een gaatje vindt om in onze streken op te treden.  

Antoine Légat.

foto © Michael Götze

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

Artiest info
website  
facebook