ULTAN CONLON - LAST DAYS OF THE NIGHT OWL

Ik neem aan dat ook bij U de naam van de Ierse songschrijver Ultan Conlon niet meteen super vertrouwd in de oren klinkt. Voor mij was-ie alleszins nieuw, al is de man uit Galway al aan zijn derde studioplaat toe en al blijkt hij al in het derde decennium van zijn songschrijverij te zitten. Voor die plaat ging Ultan liedjes zitten schrijven aan de Westkusten van zowel Ierland als de USA en, waar zijn tweede plaat -die ik overigens nooit hoorde- over “matters of the heart” ging, is deze er eentje over “matters of the mind”.

Mensen hebben zo van die periodes, dat ze de negativiteit moeilijk uit hun hoofd krijgen: dat maalt en draait en keert in je binnenste en je voelt je er niet meteen prettiger door. Daar handelt opener “As the Light Gets Low” over: bij een avondwandeling in de buurt van zijn flat in Santa Monica, realiseerde Ultan zich plots dat het niet goed is, met dat soort negativiteit te blijven rondlopen en hij schreef er een song over. “The Town Square” vaart in hetzelfde schuitje: we hebben allemaal onze gewoontes en ritueeltjes, waar we niet noodzakelijk beter van worden. We hebben ook de neiging om het verleden te sublimeren en velen van ons proberen goeie herinneringen te herbeleven, maar komen keer op keer bedrogen uit, omdat de evolutie van de wereld niet per se dezelfde is als die van onze herinneringen. Dat is het thema van “Ojai” en verder zijn de titels van andere songs nogal veelzeggend: “Fond Memories”, “Time to Mourn”, “Hurt Inside”, om maar die te vermelden, wijzen allemaal in een bepaalde richting: Ultan Conlon is een beetje een treurwilg. Nochtans heeft de man een bijzonder mooie stem, die wel eens met die van Roy Orbison vergeleken werd, al vind ik dat niet meteen terug, behalve misschien in het al genoemde “Fond Memories”. Ook op de melodieën zelf kan ik weinig aanmerken, maar waar de plaat in tekortschiet, is de verdere vormgeving of aankleding.

De plaat werd merendeels live-in-de-studio opgenomen, zo lees ik en allen de meer country gerichte elementen als de pedal steel in Nashville toegevoegd werden en de -bij momenten knappe- blazers en strijkers uit het Engelse Sheffield komen. Dat live-gevoel vind ik echter maar moeizaam terug en de oorzaak is niet moeilijk te duiden: alles klinkt nogal fluwelig, op het randje van het vlakke af en datgene wat een plaat boeiend kan maken, de zogeheten “weerhaakjes”, dat mis ik volledig. Kijk, ook bv. Jackson Browne of Christy Moore habben van die zijdezachte stemmen, maar zij voegen steevast wat “tegengif” toe, zodat het geheel niet meteen aan je tanden blijft plakken. Dat deed Ultan duidelijk niet en het zoete -waar ik totaal niks tegen heb- begint bij momenten zodanig te overheersen, dat je alleen nog de keuze blijkt te hebben tussen bloemenhoning en ahornsiroop. Er moeten toch meer smaken te bedenken zijn? Dat is letterlijk wat ik mezelf hoorde bedenken bij de eerste drie, vier beluisteringen van de plaat. Het beterde nauwelijks bij de volgende draaibeurten: het blijft allemaal zo braafjes, het veroorzaakt geen rimpeltjes in het wateroppervlak en zelfs de afsluitende song, die nochtans “The Fine Art of Happiness” heet, houdt het allemaal bijzonder ingetogen en fragiel, terwijl je, aan het einde van zo’n plaat, minstens wat contrast zou verwachten en enige neiging tot uitbarsten van vreugde. Niet dus…en dat vind ik een gemiste kans, want de stem, de zang en de melodieën zijn echt wel OK. Volgende keer misschien niet zelf de rol van producer opnemen en die belangrijke taak uitbesteden aan iemand, die voldoende afstand kan nemen?

(Dani Heyvaert)


Artiest info
Website  
 

CD Baby

Label: DarkSideOut Records

video