THE SLOCAN RAMBLERS - QUEEN CITY JUBILEE

Bij ons zijn ze nog redelijk onbekend, maar dat zal, naar mijn gevoel, niet lang meer blijven duren: deze Canadezen uit de buurt van Toronto zijn met deze “Queen City Jubilee” aan hun derde plaat toe en, waar de eerste twee voornamelijk uit gecoverd materiaal bestonden, wordt dat op deze plaat voor het eerst omgekeerd: 9 van de 14 nummers zijn eigen werk en, want nog straffer is: elk van de vier groepsleden draagt zijn steentje bij aan deze nieuwe composities, die de grenzen van de bluegrass bij momenten flink overschrijden en ook uit old time-music en folk putten.

Frank Evans lijkt zo’n beetje de leider van de groep te zijn: hij zingt, met die typische grawl in zijn stem, hij speelt harmonica en wisselt op de banjo af tussen clawhammer en Ricky Skaggs-toets. De mandoline is in handen van de enige niet-zanger van de band: Adrian Gross speelt sneller dan het licht en doet heel vaak aan de grootste aller tijden denken, waarmee ik Bill Monroe bedoel. Bassist Alastair Whitehead is bijzonder solide en creëert in z’n eentje alle speelruimte, die de overige drie nodig hebben en gitarist Darryl Poulsen is snel, accuraat en vooral erg melodieus in de opbouw van zijn solo’s.

Van de eigen composities, zijn drie pure instrumentals: “Down In The Sugarbush” is van Darryl Poulsen, “New Morning” van Adrian Gross en “Shut the Door” werd door Frank Evans bedacht en ze staan netjes verspreid over de plaat, als tracks 3, 8 en 13, zoals dat vermoedelijk ook bij live-concerten gaat. Dat zorgt, samen met het mengen van eigen werk met traditionals of klassiekers, voor een heel evenwichtig opgebouwde plaat.

De covers komen van Don Stover, de grote banjoman, die “Long Chain Charlie and Moundsville” schreef en op zijn “Things in Life” zette. Van A.P. Carter is er “Sun’s Gonna Shine in my Back Door Someday”, een song van net voor WOII. De overige drie oudere songs zijn “Mississippi Highwater Blues”, hier als traditional omschreven, maar vaak aan Barbecue Bob toegedicht, dat de plaat opent en “Riley the Furniture Man”, dat ze afsluit en in de jaren ’20 van vorige eeuw door The Georgia Crackers, opgenomen werd. Laatste en door Adrian Gross herwerkte traditional, is de combinatie van “Hillbilly Blues” en “Deer on the River”.

Alle overige songs zijn dus eigen werk van het viertalen het allerleukste aan de plaat is dat de nieuwkomers absoluut niet misstaan tussen het oude werk en het ook niet in de hoek drumt. The Socan Ramblers hebben duidelijk de kunst onder de knie om traditie en moderniteit met elkaar te verenigen en leveren een plaat af, waarop alles bijeen komt, wat je leerde van Flatt & Scruggs, van Bill Monroe en van The Stanley Brothers, maar het krijgt, mede door de uitmuntende productie en de perfecte sequencing van de plaat iets extra’s mee: opbouw en afwisseling zijn perfect, de solo’s zijn vingervlug en razendsnel, maar ze staan nergens de song in de weg en de zang, tja, die klinkt -als de drie samen zingen- alsof hij in 1958 opgenomen is. Bijzondere vermelding, wat mij betreft, voor “Making Home”, dat ik wàt graag ooit door Derroll Adams had willen horen zingen. Heerlijke plaat is dit en ik begin bij deze te hopen dat de heren ooit de oversteek naar onze Lage Landen maken.

(Dani Heyvaert)

 


Artiest info
Website  
 

video