STEVE DAWSON - LUCKY HAND

Ik zou het lichtjes belachelijk vinden, als ik Steve Dawson nog moest voorstellen: deze Canadees-met-residentie in Nashville is de voorbije twintig jaar zowat alomtegenwoordig, als het om Canadese muziek gaat en sinds hij naar Nashville verkaste is zijn reikwijdte alleen maar groter geworden. Weze het als gitarist of producer, als solo-artiest of als sessiemuzikant: Dawson doet niks minder dan grenzen verleggen en hij gaat alsmaar verder in het uitzoeken van wat je nu eigenlijk met een gitaar allemaal kunt bereiken. Op dat punt zit hij, in het gezelschap van andere innovatoren als John Fahey, Sonny Landreth en Ry Cooder perfect op zijn plaats en dat die laatste naam valt, naar aanleiding van deze plaat, is allerminst toeval. Het is namelijk de manier waarop Van Dyke Parks in de jaren zeventig aan de slag ging op platen van Cooder en Phil Ochs, die voor Steve de directe aanleiding was om deze nieuwe te maken.

Dat doet hij nu eens solo, dan weer in duoformaat met oude gabber en violist Jesse Zubot -die op helft van de nummers van de partij is- of helemaal in kwintet, met, naast de viool van Jesse ook die van broer Josh Zubot, de cello van Peggy Lee en de altviool van John Kastelic als strijkkwartet. De nummers in die opstelling wisselen overigen netjes af met de andere: de oneven nummers zijn met, de even, zonder kwintet. Met dat arsenaal aan technisch kunnen, maar vooral met een indrukwekkende verzameling recente instrumentals van eigen hand, gecomponeerd op en voor twaalfsnarige gitaar, Weissenborn, ukelele en National-gitaren dook Steve de Warehouse Studio in, waar de hele zwik helemaal live werd ingeblikt, met toevoeging, waar nodig, van trombone, hoorn, klarinet, mandoline en mondharmonica, waar nodig. Een vol tiental muzikanten dus, voor een vol tiental composities, geïnspireerd of minstens gedoopt door plaatsen waar Steve zich bevond toen hij ze bedacht en dat levert ruim drie kwartier van de allerfraaiste muziek op, die dezer dagen waar of van wie ook ter wereld te horen kunt krijgen.

Steve is al lang het stadium ontgroeid, waarin hij bewonderd werd en moest worden omwille van zijn technisch kunnen. Vandaag zijn we zover, dat we eenvoudigweg wéten dat de man àlles kan op de gitaar en dat verschaft hem het immense voordeel dat hij zich kan toeleggen op de diepgang en het innovatieve van zijn gitaarspel: hij kent zijn klassiekers, wéét wie Leo Kottke, John Fahey, Chet Atkins en Mississippi John Hurt zijn of waren. Hij kent hun werk, heeft het zich eigen gemaakt en gaat er op deze plaat mee aan de slag. Stuk voor stuk zijn dit muzikale wandschilderingen, soundtracks bij films die nog gemaakt moeten worden, klanken, die als vanzelf beelden oproepen bij de luisteraar. Voor zover als nodig, mag ik verwijzen naar de inbreng van mandolinist John Reichsman en vooral harmonicalegende Charlie McCoy, zoals op “Bentonia Blues” maken van deze CD zonder enige twijfel de perfecte gezel voor Ry Cooder”s “The Prodigal Son”: twee artiesten die niks meer moeten bewijzen en compleet hun eigen zin kunnen doen en, via Van Dyke Parks, elkaar ontmoeten. Voor iedereen, die een beetje echte rootsmuziek door z’n aderen voelt stromen, is dit simpelweg verplichte kost.

(Dani Heyvaert)

 


Artiest info
Website  
 

Label: Black Hen Music

video