MONOSWEZI - A JE

Vooraf even deze band introduceren, lijkt aangewezen, aangezien we hier nog niet eerder berichtten over dit bonte gezelschap. De naam Monoswezi is gewoon een samenvoeging van de afkortingen van de landen waaruit de leden afkomstig zijn: Mozambique, Noorwegen, Zweden en Zimbabwe en hun muziek was altijd al een mengvorm van de zogeheten Nordic Folk met Afrikaanse genres. Voor hun derde CD besloot het oorspronkelijke vijftal, zijnde Hope Masike (Zimbabwe), Hallvard Godal (Noorwegen), Calu Tsemane (Mozambique), Putte Johander (Zweden) en Erik Nylander (Zweden), de bezetting uit te breiden met enerzijds de stem, de percussie en de ngoni van Sidiki Camara en anderzijds met de banjo van de Noorse ipro-muzikant Kim Johannesen. De bedoeling daarvan was aan de ene kant het klankenarsenaal uit te breiden naar West-Afrika en Noord-Amerika en tegelijk de gelijkenissen en contrasten te gebruiken, die je makkelijk kunt onderscheiden tussen de ngoni en de banjo.

Aan de andere kant werd Hallvard Godal al langer geraakt door de muziek van Nusrat Fateh Ali Khan en leerde hij dus het Indiase harmonium bespelen, zodat de band eigenlijk muziek van over een heel deel van de wereld kon maken. Wat nu zo typerend is aan Monoswezi, is de ongelooflijk geoliede manier waarop zij de verschillende ritmes, klanken, stijlen, akkoordenreeksen… met elkaar kunnen verbinden. Ze creëren een heel nieuw soort muziek, waarin je dat typische harmonium vlekkeloos hoort samengaan met de banjo, op een ritme dat het midden houdt tussen Afrika en Pakistan. Dat noemen we wereldmuziek, denk ik.

De plaat zelf is een waar juweeltje geworden: negen nummers, op twee traditionals na, geschreven door Godal, die afklokken op zo’n 43 minuten en die onderling bijzonder fijn samenhangen, al zijn ze individueel flink verschillend. Dat noemen we dan weer “diversiteit”, zou ik denken. Opener “Loko U Muka” begint met een harmoniumlijntje, waarna, op geheel Afrikaanse wijze, de stemmen het overnemen, weldra begeleid door een repetitief mbira-motief en het harmonium invalt en de percussie een heel eigen leven begint te leiden, maar dan eentje dat perfect in te kapselen valt in het geheel van de song. Hiermee is de toon gezet en weet de luisteraar min of meer welke richting de plaat uitgaat, al is maar weinig zeker te voorspellen, en dat is precies het fijne aan deze plaat. “A Djaha” neemt min of meer de sfeer en de opbouw van de opener over, maar de titelsong, waarin een prominente drone-rol voor de klarinet is weggelegd, drijft het ritme serieus op en met “Dzimani” zijn we zowat waar we moeten uitkomen: banjo en ngoni gaan duelleren en de stemmen krijgen achtereenvolgens het harmonium en de klarinet als tegenspeler. Heerlijk nummer is dat, de muzikale perfectie. De traditional “Nyuchi” herken je meteen, al werkt het percussie-arrangement bepaald verrassend en in “Sola Mani” mag de banjo voluit excelleren. Een vrij klassieke lezing van de traditional “Silobela” leidt naar de fijne afsluiter “C’est Comme ça”, die werkelijk alles heeft om de dansende medemens te plezieren.

Ik zal mezelf niet herhalen en niet voor de tweede keer beweren dat dit een juweel van een plaat is. Nee, dit is een prachtige plaat voor mensen die bereid zijn hun oren iets meer te gunnen dan wat de meeste radio’s vandaag programmeren. Samengevat: verplichte kost!

(Dani Heyvaert)

 


Artiest info
Website  
 

Label : Riverboat
distr.: Music & Words

video