MATT PATERSHUK - SAME AS I EVER HAVE BEEN

In onze niet-officiële categorie “veel te goed bewaarde geheimen” mogen we nog maar eens terugkomen op de Canadese zanger en liedjesschrijver Matt Patershuk. De man, tegenwoordig in zijn mid-dertiger jaren, verraste velen onder ons een paar jaar geleden met zijn “I Was So Fond Of You”-plaat, waarover ook in deze kolommen met terechte lof geschreven werd. Vandaag is er dus de opvolger -als we dat goed hebben, inmiddels de derde plaat van Matt, die er ook eentje opnam met zijn kompanen van The Dirty Plaid Orchestra- en nog een geweldige stap voorwaarts. De songschrijver is nog meer verfijnd geworden in zijn bewoordingen en, waar de vorige plaat eigenlijk een soort afscheid was van zijn verongelukte zus Clare, van wie trouwens een schilderijtje afgebeeld wordt op de voorkant van de hoes, krijgen we hier meer het werd van een niet langer alleen maar door verdriet overmande zanger, maar wel de liedjes van een haarscherpe observator.

Matt Patershuk komt aan de kost als bruggenbouwer, een vak waar best enige precisie bij aan de dag gelegd wordt en dat vertaalt zich in de manier waarop hij de dingen formuleert in zijn songs: hij weet je als luisteraar aan te spreken en het gevoel te geven dat het nummer dat je hoort, over jou zelf had kunnen gaan. Er zijn er niet teveel, die dat kunnen, me dunkt. Ja, Townes kon het, en Johnny Cash zeker ook. En Kristofferson en Guy Clark en John Prine. En Ray Wylie Hubbard…en dat is degene, aan wie je denkt bij het horen van de openingssong “Sometimes You’ve Got To Do Bad Things To Do Good”, een stevige rocker, waarin de gitaar scheurt en kreunt, zoals ze dat bij Hubbard wel eens doet en met middenin een heel knappe faxsolo van James Cook. Geen groter contrast mogelijk dan dat tussen deze opener en “Swans”, dat de plaat afsluit en een ultra traag nummer is waarin zwanen als metafoor gebruikt wordt voor een man en een vrouw, die een leven lang samen zijn. De duetzang van de wonderlijke Anna Egge tilt dit ontzettend knappe nummer tot een ontzaglijk niveau op. Nu, dat Anna Egge kan zingen, was ons al even bekend, en ze was trouwens ook nadrukkelijk aanwezig op de vorige plaat van Matt, die ook nu weer een en ander in handen gaf van het Canadese instituut, genaamd Steve Dawson. Die multi-instrumentale mens kun je zonder een overdrijving de meester van de subtiele toets noemen en de Canadese tegenhanger van T-Bone Burnett en als je hem in de producersstoel zet, weet je ongeveer wat je krijgt, qua klank. Dat heeft natuurlijk te maken met het feit dat hij een vaste kern van heerlijke muzikanten heeft, waar hij haast altijd mee werkt. Ik denk dan aan toetsenist Chris Gestrin, die bij voorbeeld “Gypsy” voorziet van een fijne grondlaag, en aan mandolines John Reischmann, wiens link en riffs de hele plaat een fijn John Prine-effect geven. Van de al genoemde T-Bone Burnett, werd de ronduit fantastische drummer Jay Bellerose “geleend” en vaste bassist Jeremy Holmes is zijn zuinige, efficiënte zelf.

Josh Zubot, de jongere broer van Jesse, die al tijden lang in de omgeving van Dawson te vinden is, levert meer dan knappe fiddle lijnen aan op bv. “Hot Knuckle Blues” - een nummer over de teloorgang van jobs in de hedendaagse economie- en als je die songs gehoord hebt, weet je waarom Patershuk het ensemble omschrijft als “The Pretty Darn Good Music Band”: dit is namelijk een verzameling talent, waar je alleen maar jaloers en afgunstig kunt naar luisteren. Wat zij bij voorbeeld neerzetten in het half parlando gebrachte “Good Luck” is van de klasse van, laten we zeggen, James McMurtry. In “Memory and The First Law of Thermodynamics” -grappige titel voor een song, zeker als je je uit je studententijd herinnert wat die wet inhoudt, namelijk dat in een geïsoleerd en dus apart functionerend systeem, de energiemassa constant blijft en weliswaar van vorm kan veranderen, maar noch opgewekt, noch vernietigd kan worden. In de song gaat het om zus Clare, over wie hij zegt dat ze weliswaar gestorven is, maar dat de herinneringen aan haar dermate talrijk en alomtegenwoordig zijn, dat je niet anders kunt dan geloven in de eerste wet van de thermodynamica. Ook hier weer zijn er heel fragiele, aan Emmylou herinnerende duetklankjes van Anna Egge, terwijl in “Blank Pages and Lost Wages” de geest van John Prine meer aanwezig is dan ooit en “Cheap Guitar” vanaf de intro zijn titel alle eer aandoet en drijft op een John Lee Hooker-achtige één-akkoord-riff.

De titelsong is onvervalste tranentrekkers-country, waarvan je geheid kippenvel krijgt, gezin je huid uit schuurpapier bestaat, terwijl de variatie nog een verdieping hoger getild wordt met “Atlas”, ook country, maar dan van het type waarvan de strofe gewoon helemaal parlando gebracht wordt en enkel de refreinlijnen gezongen worden. Fantastisch nummer, met heerlijke pedaal steel klanken en een sfeer, die je in één vloeiende beweging naar de donkerste honk tonks brengt en “Sparrows” het niveau haalt van het beste Tex-Mex geluid van Ry Cooder. De slotsom van deze plaat liegt er niet om: dit is een ronduit fantastisch album van een meneer, die ons twee jaar geleden al verraste, maar nu helemaal omver blaast. Dit is materiaal voor de jaarlijstjes!

(Dani Heyvaert)

 


Artiest info
Website  
 

Label: Black Hen Music

video