STEPHAN MEIDELL - METRICS
PHONOPHANI - ANIMAL IMAGINATION
BRUTTER - REVEAL AND RISEC

We wéten het onderhand en we zijn hier ten huize H. wàt blij dat we het weten: in Noorwegen wordt ontzettend boeiende muziek gemaakt, die niet meteen in genres te vatten is, noch door etiketjes te overspannen valt. De gemeenschappelijke noemer voor deze veelal geïmproviseerde, aan jazz en elektra verwante muziek, is het label Hubro, dat ons nu met drie nieuwe releases in één klap om de oren slaat.

Om te beginnen is er gitarist Stephan Meidell, die we een klein half jaar nog mochten introduceren als een derde deel van Cakewalk en van wie we toen het zinnetje citeerden: “kan jouw blauw misschien mijn rood zijn?”. Deze plaat ontstond tijdens een drie maanden durend verblijf in Berlijn, waar hij een appartement met dunne muren bewoonde en zich dus, om de rust van de buren niet al te zeer te verstoren, genoopt zag om een synthesizer, een drummachine en een akoestische gitaar op z’n computer aansloot en, met de hoofdtelefoon op, muziek begon te maken, die alleen hij zelf kon horen en voelen op dat moment. Waar hij normaal in een grote fabrieksruimte repeteert, met een boel instrumenten en effecten om zich heen was dit dus de compleet omgekeerde wereld. Nu is veranderen van omgeving en van werkwijze al altijd de manier geweest waarop Meidell componeert en deze keer kwam hij, vanwege de vioolachtige klank die de akoestische gitaar via de computer produceerde, al snel uit bij het woordje “barok”, dat staat voor “overdadig van fiorituren voorzien en niet aan traditionele vormen beantwoordend” en zo komt het dat de eerste twee tracks ook “Baroque I” en “Baroque II” heten. Terug in Noorwegen werkte hij, met de hulp van Magda Mayas (prepared piano), Hans Knut Sveen (harpsichord),Stefan Lindvall (barokviool), Moeten Barrikmo (klarinet) en Erlend Apneseth (Hardanger fiddle) één en ander verder uit, waarbij hij ondanks het feit dat improvisatie, en dan nog het liefst zonder dat de muzikanten elkaar konden horen of zien, de leidraad bleef, via gesprekken en discussies toch de lijnen uitzette. Geleide improvisatie dus en dat levert een hoogst boeiende plaat op, vol onverwachte wendingen, vreemde geluiden en tonaliteiten. De drie “State”-tracks vormen een soort suite rondom een dronegeluid voor spaak klanken en quasi oerwoudsferen en het twaalf minuten durende “Biotop” is een indrukwekkend staaltje improvisatie, waarin de klarinet in duel gaat met de synthesizerklanken; Natuurlijk is niet niet voor beginnersoortjes bedoeld, maar dit is ondermeer adembenemend.


Nummer twee in het rijtje is Phonophani, alias Espen Sommer Eide, een man die zowat eigenhandig de bakens in de elektronische muziek verlegde sinds hij in de jaren ’90 van vorige eeuw aan het oppervlak verscheen. Hij was de voorbije zes, zeven jaar voornamelijk bezig met het maken van soundtracks voor kunstinstallaties in musea en galerijen, maar keer nu dus nog eens naar het albumwerk terug. Dat album is best een zware noot om te kraken, aangezien de weliswaar milde vorm van ambient nauwelijks een begin van melodie vertoont. Het gaat hier puur om klanken, om het uitvissen van wat digitaal allemaal mogelijk is. Zelf omschrijft Eide het als volgt: “er was geen denkwerk, geen compositie, er was alleen het kloppen van bloed in mijn oren. Eindelijk maakte ik muziek zoals een hond”. Dat levert werkelijk schitterende momenten op, zoals bij voorbeeld het acht minuten lange “Deep Learning” of “Untime Me”, waarop de stem van Mari Kvien Brunvoll in hoogst vervormde gedaante te horen is. Ook “I Have No Subconscious” is mateloos intrigerend, maar veel van de overige nummers zijn echt wel moeilijk te vatten. Laten we het erop houden dat dit muziek is voor heel ver gevorderden.


Dan is “Reveal and Rise” van Christian en Fredrik Wallumrød, de “Brutter” die achter de bandnaam zitten, toch wel een lichtjes andere koek. Christian kennen we van duizend-en-één projecten, waaraan hij zijn pianokunsten verbond en waarvan ons vooral de samenwerkingen met de hier in huis erg geliefde Nols Økland bijblijven, terwijl Fredrik van opleiding en van nature drummer is, die in zowat alle genres, inclusief funk en heavy metal zijn sporen verdiend heeft. Wat ze op deze CD samen uitwerken, draait allemaal rond “beats”: wanneer is een “beat geen beat meer” Kan a-ritmiek ook ritmisch klinken? Waarom worden sommige klanken opgetild tot “muziek”, terwijl andere “geluid” of “ruis” blijven? Ze noemen de acht stukken op deze plaat “anti-techno”, “industrial terror”,”avantgarde drones”, “ambient norse” en “mechanische deconstructie”. Dat wil ondermeer zeggen dat ze zich niet houden aan de gekende ritmepatronen of maateenheden, dat ze instrumenten, die geen muziekinstrumenten zijn, klanken laten voortbrengen, die doorgaans als nevengeluiden -en dus storende factoren- benoemd wordende dat ze klanken en geluidenreeksen, die we doorgaans met allerlei andere dingen associëren, zoals eens scheepswerf of een computerspelletje, laten interfereren met de door henzelf bedachte trillingsopeenvolgingen. Je kunt je haast live voorstellen wat hedendaagse dansgezelschappen als Ultima Vez hiermee allemaal zouden kunnen aanvangen. Dit is een clash tussen het gehoor en het onderbuik- of middenrifgevoel dat door klanken kan worden opgewekt en bijgevolg is dit nogal direct fysieke muziek. Als zullen de heren zelf die traditionele benaming misschien helemaal niet willen horen. Hoe dan ook: ik vind dit bijzonder straf, al sta ik met die waardering hier in huis redelijk alleen. Ik blijf echter proberen anderen ontvankelijk te maken voor de kracht van een track als “Hide and Sink”: veel verder kun je, denk ik, momenteel niet gaan inzake muziek maar bedenk dan, dat een eeuw geleden de muziek van Stravinsky of Bartok ook als “onbeluisterbaar” werd weggezet. Straffe kost voor moedige luisteraars is dit!

(Dani Heyvaert)

Artiest info
   
 

label: Hubro Music
distr.: PIAS