WYATT EASTERLING - DIVINING ROD

Ik ben zo vrij aan te nemen dat Wyatt Easterling minstens een béétje bekend is bij onze lezers: de man heeft er immers een gigantisch parcours opzitten als producer (van onder meer Paul Thorn John Michael Montgomery en Keith Urban, maar ook als songschrijver voor Joe Diffie en Dierks Bentley, wat toch namen zijn, die in de States voor miljoenenverkoop staan. Sinds een jaar of vijf besloot Wyatt zijn eigen carrière als schrijver en als optredende artiest opnieuw wat meer aandacht te geven en het is in het raam van die comeback dat je deze nieuwe plaat moet zien. Het is z’n derde plaat sinds hij terugkeerde nar de plaats van z’n jeugd, Chapel Hill in North Carolina en ik moet zeggen dat die “back to the roots”-beweging blijkbaar ’s mans creativiteit flink heeft aangewakkerd.

Op de nieuwe plaat serveert Easterling elf nieuwe songs van eigen hand en één cover. Om daarmee te beginnen, het gaat om “Pacing the Cage” van de grote Canadees Bruce Cockburn en Wyatt’s versie doet het origineel alle eer aan: het arrangement is flink veranderd en de manier waarop Wyatt het verhaal vertelt (het gaat om een man die z’n leven voorbij ziet glijden en meer en meer het gevoel heeft dat hij elke greep op de gebeurtenissen verliest) is uiterst geloofwaardig.

Wat de zelfgeschreven songs betreft, die zitten bijna allemaal in het bijna klassieke idioom van de ietwat ouder wordende zanger: gedrukt tempo, beschouwende verhalen, die wijsheid en mildheid mixen en die een sfeer uitstralen die een soort “been there, done that”-houding aangeven. Zo wordt er achterom gekeken in de opener “Stumblin’ Towards The Light”, waarin de vraag eigenlijk luidt: “wat zou het geworden zijn, als we op dat of dat moment een andere weg gegaan waren”. Dat soort beschouwingen zijn niet alleen het voorrecht van mannen op een bepaalde leeftijd, ze zijn ook hun brandstof: neem nu “It Was You All Along”, dat handelt over de vraag of diegene met wie we het leven delen wel de juiste partner is. Soms heeft een mens de neiging in z’n eigen weg te lopen, zowaar….In “Scars” voert Easterling een ex-bokser ten tonele, die eigenlijk symbool staat voor elk van ons: we krijgen allemaal onze klappen van het Leven, al dan niet letterlijk en we moeten allemaal verder met ons leven, ook na die klappen. De schrammen die ons nadien tekenen, zijn deel geworden van onszelf en het komt erop aan ze niet weg te moffelen, noch te accentueren. Nee, aanvaarden is de boodschap, het stof van de kleren slaan en verder ploeteren.

Ook op relaties en hun eindigheid heeft Easterling een bepaalde eigen kijk ontwikkeld: de dingen zijn zelden “voor eeuwig” en dus moet je op een gegeven moment ook durven vaststellen dat “het” op is, anders hou je jezelf én de ander voor de gek, zoals het in “Don’t Cry for Me” luidt. Diezelfde thematiek komt nog terug in “Somewhere Down The Road” en “Sure Smells Like Rain”, de meest romantisch klinkende van de songs op een al bij al rustige, maar heel aangename plaat, waarop Wyatt muzikale ondersteuning krijgt van onder anderen David Henry op cello en viool, April Verch op fiddle, Chris Rosser op gitaar en River Guerguerian op percussie.

Fijne schijf dus, voor mensen die aan een achteruitkijkbeurt toe zijn. O ja, nog een detail: een “Divining Rod” is bij ons een wichelroede, zo’n gevorkte tak, waarmee sommigen achter aardstralen aan gaan, of water proberen te vinden. Ik heb het gevoel dat Wyatt het beeld van de wichelroede gebruikt als symbool voor de zoekende mens, die z’n leven lang onderweg blijft en hoopt ergens aan te komen, waar z’n uiteindelijke bestemming en het geluk op hem wachten. ’t Is maar dat u ook dàt weet…

(Dani Heyvaert)

 


Artiest info
Website  
 

video