CHRIS MURPHY - THE TINKER’S DREAM

Wie de folkmuziek een beetje volgt, heeft natuurlijk allang kennisgemaakt met Chris Murphy en zijn fidele. Deze New Yorker van Italiaans-Ierse kompas draait immers al een kwarteeuw mee in de absolute top van de hedendaagse folk en hij deelde podium en studio met menige “erkende grootheid”. Nauwelijks een half jaar na de -ook in deze kolommen- bejubelde “Red Mountain Blues” is Chris er alweer met een bakkersdozijn nieuwe jigs, reels, Airs en Slow Airs, heel af en toe van zang -op drie nummers, als ik goed geteld heb- voorzien, maar grotendeels instrumentaal. Allemaal eigen werk, maar duidelijk geschreven en gemaakt met een aantal lichtende voorbeelden in het achterhoofd. Chris Murphy ként zijn muzikale voorlopers, hij kent en doorgrondt hun werk en hij heeft er enorm veel respect voor, zelfs in die mate dat hij stilistisch gezien, eer bewijst aan The Chieftains, aan The Pogues en Fairport Convention, zonder dat hij aan naloperij gaat doen.

Naar eigen zeggen, was ooit David Lindley Murphy’s grootste inspirator: hoe die oud en nieuw met elkaar wist te verstrengelen en fris en jong te laten klinken, dat was dé kunst en dé uitdaging. Ik kan, na meerdere beluisteringen van deze plaat zeggen, dat het doel alweer ruimschoots gehaald wordt. Dat kan natuurlijk moeilijk anders, als je ziet wie Chris allemaal naar de studio haalde om te helpen bij het uitwerken en opnemen van deze plaat. Net als bij de vorige plaat, tekenen Ted Russell Kamp, Nate Lapointe, Tom Moose en DJ Bonebrake present. Gastrollen zijn er voor onder anderen Andy Reilly op bodhràn en ander percussiemateriaal, Zac Leger op fluiten, gitaar en bouzouki, Tony Byrne op gitaar en Patrick d’Arcy op uillean pipes. Met zo’n legertje toplui kan je natuurlijk veel kanten uit en dat doet Chris op deze plaat. Zoals ik al vermeldde, is de Ierse folk de leidraad, maar net zo goed wordt er gekeken richting cajun, mountain music en zelfs bluegrass. Dat levert dik vijftig minuten heel fijne heden,daagse folk op, gespeeld door mensen die niet alleen hun instrument prima beheersen, maar die ook nog eens muzikant zijn in hart en nieren.

Vanaf de reel “Connemara Ponies”, dat de plaat in galop opent, via de titelsong, een big van het zuiverste gehalte, gaat het naar de eerste echte “song”, “Wicklow”, met Iers fluitje in een hoofdrol en een cajungevoel te allen kant. “Gibraltar 1988” is een welgekomen rustpunt als overgang naar de tweede “song”, “Cape Horn”, die het ritme van “Wicklow” herneemt, maar met een Pogues-arrangement veel Ierser blijft.Daarna volgt de horlepiep “The Artful Dodger” (kent u ‘m nog? Van bij Charles Dickens en Oliver Twist?) en de laatste “song”, die voor mij meteen het hoogtepunt van de plaat vormt, “Small Wonder”. Bij die song moet ik telkens weer aan de jonge Billy Bragg denken. Wat ik overigens niet erg vind, integendeel. Op die manier valt de plaat eigenlijk in drie delen op te splitsen: een instrumentale intro van drie nummers, een middenrif dat grotendeels aan songs opgehangen is en het slot, dat alweer instrumentaal is, met twee gigs (“The Tower” en het geweldige “Maritime Jig”), een reel (“The Thistlewood Bridge”) en afsluiter “The Hayloft Waltz”, waarmee je in driekwartsmaat en met Cooderiaans aandoende gitaar en mandoline, rustig de avond en de plaat kunt “neerleggen”.

Is dit een CD die een aardverschuiving zal veroorzaken? Ik vermoed van niet. Wat ik wel mogelijk acht -en wat me trouwens ten zeerste zou verheugen- is dat jongeren van vandaag via deze plaat op zoek zullen gaan naar de Groten, die hierboven genoemd werden. Als dat eens zou kunnen gebeuren, dan heeft Chris Murphy een geweldige taak volbracht. In afwachting hou ik het op “een bovenste beste interpretatie van Ierse folk”.

(Dani Heyvaert)

releasedata: 27.01.17

 

 

Artiest info
Website  
 

Label: Teahouse Records

video