LANCE CANALES – THE BLESSING AND THE CURSE

Als je, zoals ondergetekende, de leeftijd bereikt hebt, waarop je manifest meer verleden dan toekomst hebt, word je niet zo snel meer van je paard gebliksemd, als het op muziek aankomt. Je bent dan geneigd te denken dat je 't intussen allemaal wel gezien en gehoord hebt. Dat mag blasé klinken, maar bij 95% van de platen die je te horen krijgt of concerten waar je naartoe gaat, bekruipt dat gevoel je ook effectief. Het mag dus een klein mirakel -of minstens een geweldig groot gelukkig toeval- genoemd worden dat deze CD op mijn schrijftafel terecht kwam, want inderdaad, beste lezer, het is weer eens zover: ondergetekende is nauwelijks hersteld van de blikseminslag die hem trof bij het beluisteren van deze bijna-debuutplaat van Lance Canales, een man van Mexicaans-Native afkomst, die hier, met de hulp van erg mooi volk een eerste “volwaardige” plaat op ons los laat.

Ik had het eigenlijk een beetje moeten zien aankomen: een zo goed als onbekende artiest komt niet zomaar op Music Road Records terecht. Hij krijgt niet zomaar Jimmy LaFave in de producerstoel en nog minder krijgt hij zomaar mensen als Eliza Gilkyson, Joel Rafael of Ray Bonneville mee in de studio om zijn songs te helpen inblikken. Als ik zeg dat het hier om in bijna-debuut gaat, dan doe ik dat omdat Lance een jaar of drie geleden al “Elixir” uitbracht, zij het toen nog onder de naam van Lance Canales and The Flood. Van die Flood is ook op de nieuwe plaat drummer/percussionist Daniel Burt nog van de partij, zodat dit op zijn minst de anderhalfde plaat van Lance Canales genoemd mag worden.

Dit allemaal gezegd zijnde bij wijze van introductie, ben ik het met u eens dat het uiteindelijk wel allemaal om de muziek draait. En wat blijkt? Deze CD is noch min noch meer een van de meest indrukwekkende lappen Americana, die ik in maanden mocht beluisteren. Dat heeft om te beginnen heel veel te maken met de stem van Lance, die ergens tussen John Trudell en Tom Waits in vertoeft. Daarnaast zijn er de songs, dertien in totaal, waaronder covers van Woody Guthrie's “Deportee” en Rev. Gary Davis' “Death Don't Have No Mercy”.

Normaliter zou ik over die covers heen stappen in deze recensie, omdat de beide songs tot de gekende leerstof behoren, maar voor deze “Deportee” wil ik graag een uitzondering maken, niet alleen omwille van de hernieuwde actualiteitswaarde die dat nummer dezer dagen krijgt, maar vooral omwille van de volkomen ongebruikelijke versie die Lance eraan geeft. Dit is de complete deconstructie van een door iedereen gekende song, die, omwille van het samengaan van de al vermelde bijzondere stem met een snijdende slide en de percussie van de tandem Zak Parrish/David Quinday (ik reken voor het gemak de staande bas bij de percussie en wie naar de track luistert, zal begrijpen waarom), die de song een razende, ongekende vaart meegeven en een mate van indringendheid, die ik, eerlijk gezegd, nooit in het nummer vermoed had.

Wat de eigen nummers betreft, beginnen we bij opener “California or Bust”, dat meteen de toon zet voor het vervolg van de plaat: net als de meeste andere songs van de plaat gaat die over Leven en Dood. “Hich-Wyah Man” draagt een Native stempeltje, door ondermeer de bezwerende en dreigende Indianenzang, “Cold Dark Hole”, met Bonneville op harmonica en gitaar, is een fraaie klaagzang, tot de Here gericht.”The Farmer” is al evenmin een vrolijk nummer. Het boerenleven is bikkelhard en elke farmer wil dat zijn kinderen het beter hebben dan hijzelf, maar weet eigenlijk al vooraf dat dat niet gaat lukken.

“Weary Feet Blues” dan. Ook hier geeft de titel de richting aan. Een klagende blues, op een erg oud klinkende akoestische gitaar.. Ik wil maar even aangeven waar in het muzieklandschap deze CD zich zo ongeveer bevindt. Bij “Old Red” moest ik meer dan eens aan Tony Joe White denken en “Pearl Handled Gun” drijft alweer op zo'n dreigend Indianenritme, dat je doet denken aan “ze trekken ten oorlog” al heeft het arrangement dan weer wat weg van Cohen's “Lover Come Back To Me”. “Special Made” is pure, eenvoudige akoestische blues zoals de Alvin-broers hem tegenwoordig plegen en “Fruit Basket” leunt op de minst simpele melodielijn van de hele plaat, die verder uitblinkt in meezingbaarheid. Ook hier weer flink wat Indianeninbreng, wat alweer leidt tot een bijzonder indringende song. Het afsluitende duo “Sing No More” en “Stomp It Out” is van een geweldige zwart-wit tegenstelling: het eerste klaagt en steunt, het tweede danst en springt, ook al op Indiaanse wijze.

Eenenvijftig minuten duurt dit feest en daar is er niet eentje van overdreven. Ik durf nu al met de hand op het hart beweren dat deze er eentje is voor veel, heel veel eindejaarslijstjes. Schitterende plaat!

(Dani Heyvaert)

 

 

 


Artiest info
Website  
 

Label: Music Road Records

video